De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een Poolse verdachte. Tijdens de procedure werd de beslissingstermijn meerdere malen verlengd vanwege nader onderzoek naar de detentieomstandigheden in Polen.
In eerdere tussenuitspraak van 13 november 2024 oordeelde de rechtbank dat er een individueel gevaar bestond op schending van de grondrechten door de detentieomstandigheden in het Poolse gevangenisregime. De rechtbank besloot de zaak aan te houden met een redelijke termijn van 30 dagen voor het ontvangen van nieuwe informatie over verbeterde omstandigheden.
Na het verstrijken van deze termijn zonder ontvangst van relevante informatie, concludeerde de rechtbank dat het reële gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling niet kon worden uitgesloten. Daarom gaf zij geen gevolg aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd.
De rechtbank hief tevens de geschorste overleveringsdetentie op. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open volgens artikel 29, tweede lid, OLW.