De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 november 2025 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, België, gericht op de overlevering van een opgeëiste persoon geboren in 1998. Na een eerdere tussenuitspraak waarin aanvullende specificatie van de pleegperiode werd gevraagd, concludeerde de rechtbank dat het EAB nu voldoende gespecificeerd en toereikend was.
De verdediging voerde aan dat recente berichten over de Belgische detentieomstandigheden aanleiding gaven om overlevering te weigeren. De officier van justitie stelde echter dat de verstrekte detentiegarantie voldoende bescherming bood en dat de garanties in België worden nageleefd. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het algemene gevaar van onmenselijke detentie door de garantie voor de opgeëiste persoon was weggenomen.
De rechtbank benadrukte dat eerdere meldingen van niet-naleving incidenteel waren en direct werden gecorrigeerd. Er waren geen weigeringsgronden op grond van de Overleveringswet die aan overlevering in de weg stonden. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak.