ECLI:NL:RBAMS:2025:8701

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
13/225652-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot de opgeëiste persoon en de waarborgen van detentieomstandigheden

Op 13 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Belgische Rechtbank van eerste aanleg Limburg. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1998, die wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 30 oktober 2025 gehoord, waarbij de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon aanwezig waren. De rechtbank heeft de termijn voor de uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot de uitspraak.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB niet voldoende informatie bevat over de pleegperiode van de strafbare feiten, wat een vereiste is volgens de Overleveringswet (OLW). De rechtbank heeft daarom besloten het onderzoek te heropenen en het openbaar ministerie de gelegenheid te geven om nadere vragen aan de Belgische autoriteiten te stellen. De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in België beoordeeld en vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoende garanties heeft gekregen met betrekking tot zijn detentie, ondanks de zorgen van de raadsman over mogelijke onmenselijke behandeling.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat de overlevering kan worden toegestaan, mits de opgeëiste persoon na veroordeling in België terugkeert naar Nederland om zijn straf daar uit te zitten. De rechtbank heeft de zaak geschorst en een nieuwe zitting gepland voor 1 december 2025, waarbij de opgeëiste persoon opnieuw zal worden opgeroepen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/225652-25
Datum uitspraak: 13 november 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 4 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 augustus 2025 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, Afdeling Tongeren-Borgloon, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Schiphol.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek in fine uitlevering dd. 18.08.2025, referentie 24/062.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden, omdat uit het EAB niet blijkt in welke periode de strafbare feiten zouden zijn begaan en in het EAB geen concrete pleegplaats of pleegplaatsen staan vermeld. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de overlevering enkel toe te staan voor de strafbare feiten die vermoedelijk zouden zijn gepleegd op 10 februari 2024. Meer subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling aan te houden om de Belgische autoriteiten in de gelegenheid te stellen aan te geven in welke periode de feiten zouden zijn gepleegd en in welke plaats(en).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat de strafbare feiten, de pleegplaats en de pleegperiode genoegzaam zijn omschreven en de rol van de opgeëiste persoon voldoende duidelijk is. Dat uit de feitomschrijving niet de exacte pleegperiode volgt en evenmin de exacte pleegplaatsen wordt genoemd, maakt dit niet anders. Dat deze periode niet specifiek is omschreven, vormt geen belemmering voor de overlevering. Het EAB is duidelijk en voldoet aan de vereisten. Daarbij is ook van belang dat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt en de verdenking op dit moment nog niet volledig uitgekristalliseerd is of hoeft te zijn. De officier van justitie heeft verwezen naar twee uitspraken. [4]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang. In het EAB is te lezen dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met grootschalige handel in verdovende middelen, welke verdovende middelen vanuit Nederland naar België worden vervoerd om daar te worden verkocht aan afnemers. Deze verdenking is ontstaan naar aanleiding van een onderzoek, dat is gestart na een politiecontrole op 10 februari 2024. Uit genoemd onderzoek is de verdenking ontstaan dat de opgeëiste persoon zowel in de periode voorafgaand aan die controle als in de periode daarna betrokken was bij deze handel.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de strafbare feiten, de pleegplaats en de rol van de opgeëiste persoon daarmee weliswaar voldoende duidelijk omschreven, maar dat geldt niet voor de pleegperiode of -datum. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
-
Kan nader worden gepreciseerd wat de pleegperiode of pleegdatum voor de in het EAB omschreven feiten is?

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [5]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Parket van de Procureur des Konings Limburg, Internationale Dienst heeft op 30 september 2025 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 par. 3 van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie ( 2008/909/JBZ).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [6]
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het onderzoek naar de strafbare feiten is aangevangen in België, het bewijs bevindt zich in België en de medeverdachten worden in België vervolgd. Daarnaast is het Openbaar Ministerie niet voornemens de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Daarnaast is de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW dat voorkomen moet worden dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet zal worden vervolgd.
De rechtbank is, gelet op wat de officier van justitie heeft aangevoerd, van oordeel dat de omstandigheid dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding is om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in België

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [7]
De rechtbank stelt vast dat bij brief van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken van 29 september 2025 de volgende garantie is verstrekt:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenissen van Leuven-Hulp indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op grond van de door hem overgelegde stukken (jaarverslagen, nieuwsberichten en brandbrief) op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie onvoldoende is om het reëel gevaar van een onmenselijke en vernederende behandeling van de opgeëiste persoon in de gevangenis in Leuven-Hulp te voorkomen. Bovendien is er een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon in Leuven-Hulp gevangenis geen adequate medische hulp zal krijgen. Dit gevaar is niet te ondervangen met een enkele detentiegarantie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie voldoende is. Gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon over niet minder dan 3 m2 leefruimte zal beschikken, een bed zal hebben, de sanitaire ruimte afgescheiden zal zijn en dat er medische zorg zal worden aangeboden van dezelfde kwaliteit als buiten de gevangenis. Er is geen reden om te twijfelen aan deze individuele garantie.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [8] De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu zij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
De jaarverslagen, nieuwsberichten en brandbrief waarnaar de raadsman verwijst, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. Deze berichtgeving laat zien dat, zoals eerder door de rechtbank is geoordeeld, er een reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest. Daaruit volgt niet dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden dat er op voorhand aan moet worden getwijfeld of de voor de opgeëiste persoon verstrekte garanties wel zullen of kunnen worden nageleefd. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.
Ten overvloede en in reactie op de door de opgeëiste persoon en zijn raadsman geuite zorgen, merkt de rechtbank daarbij nog op dat – mocht de detentiegarantie abusievelijk niet direct worden nagekomen – er een correctiemechanisme aanwezig is, dat in de praktijk in staat is gebleken om alsnog op korte termijn naleving van de garantie te bewerkstelligen.

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
BEPAALTdat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 1 december 2025);
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.