ECLI:NL:RBAMS:2025:10060

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
13-237196-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot een Poolse onderdaan

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een Poolse onderdaan op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB, uitgevaardigd door de regionale rechtbank in Kielce op 28 juli 2025, verzocht om de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon, die in Polen is geboren en daar gedetineerd is. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 26 november 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe. De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden zijn die aan de overlevering in de weg staan. De rechtbank heeft het verweer van de raadsman verworpen, die stelde dat het EAB niet genoegzaam was, en heeft geoordeeld dat de overlevering kan plaatsvinden. De rechtbank heeft ook overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde, aangezien de feiten zich in Polen hebben afgespeeld. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, met inachtneming van de relevante wetsbepalingen, waaronder artikel 7 OLW, en heeft geconcludeerd dat er geen risico is op schending van het recht op een eerlijk proces voor de opgeëiste persoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-237196-25
Datum uitspraak: 10 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 3 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juli 2025 door
the Regional Court in Kielce, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable judgement of the Local Court in Końskievan 31 juli 2024 met referentie II K 478/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en achtentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Nu blijkens de aanvullende informatie van 24 oktober 2025 het vonnis in eerste aanleg in stand is gehouden bij de beslissing in hoger beroep van 20 december 2024 van
the Regional Court in Kielcemet referentie IX Ka 158/24, zal de rechtbank laatstgenoemde beslissing aan artikel 12 OLW toetsen.
De aanvullende informatie van 24 oktober 2025 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon en met een gemachtigd advocaat is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5.Genoegzaamheid

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB niet genoegzaam is. Blijkens het EAB vormt de beslissing in eerste aanleg de grondslag van het EAB. Uit de aanvullende informatie van 24 oktober 2025 blijkt echter dat bij arrest in hoger beroep de zaak definitief is afgedaan, zodat de overlevering in werkelijkheid wordt gevraagd ten aanzien van laatstgenoemde beslissing.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Het EAB vermeldt een
enforceable judgement of the Local Court in Końskievan 31 juli 2024. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van de juistheid van die informatie worden uitgegaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het EAB in combinatie met de aanvullende informatie van
24 oktober 2025 genoegzaam is. Het EAB moet gegevens bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis klaarblijkelijk het vonnis van
the Local Court in Końskievan 31 juli 2024 met referentie II K 478/23. Uit de aanvullende informatie blijkt dat dit vonnis is bevestigd door een arrest van
the Regional Court in Kielcevan 20 december 2024 met referentie IX Ka 158/24. Dat deze laatste beslissing de procedure is die aan artikel 12 OLW moet worden getoetst, maakt dit niet anders. De beslissing die aan artikel 12 OLW moet worden getoetst en het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis hoeven immers niet noodzakelijkerwijs hetzelfde te zijn. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

6.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit II dubbele strafbaarheid ontbreekt. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW, omdat voor een weigering onvoldoende aanknopingspunten zijn. Het feit is begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een Poolse onderdaan en er zijn onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I en II niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan ten aanzien van feit I.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn moeder tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat.
Ten aanzien van feit II overweegt de rechtbank als volgt.
Het overtreden van een contact- en locatieverbod dat is opgelegd door een rechter levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op Dat betekent dat sprake is van een grond voor weigering van de overlevering.
De rechtbank ziet echter aanleiding om van de weigering af te zien. De rechtbank weegt daarbij in dit geval mee dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen. Evenmin is sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, waardoor de straf door de Nederlandse autoriteiten overgenomen zou kunnen worden. Daarnaast is de overlevering al toelaatbaar voor de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf voor feit I en gezamenlijke afdoening van de openstaande vrijheidsstraf dient bovendien het belang van het voorkomen van straffeloosheid.

7.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 300, 304 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon] ,aan
the Regional Court in Kielce, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (