ECLI:NL:RBAMS:2025:10068

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
13/186443-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met wijziging van detentieomstandigheden

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy w Łodzi, Wydział XVIII Karny in Polen. De zaak begon met een vordering van de officier van justitie op 4 september 2025 en de behandeling van het EAB vond plaats op verschillende zittingen, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik. Tijdens de zittingen werd de rechtbank geconfronteerd met vragen over de detentieomstandigheden in Polen, wat leidde tot een verlenging van de termijn voor uitspraak en een aanhouding van de zaak om aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten te verkrijgen. Op 12 november 2025 werd een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat er een individueel reëel gevaar bestond voor schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. De rechtbank stelde een redelijke termijn van veertien dagen vast voor het verkrijgen van gewijzigde omstandigheden. Op basis van aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten, die garandeerden dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kon verblijven, concludeerde de rechtbank dat het eerder vastgestelde algemene gevaar was weggenomen. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden waren. De overlevering werd derhalve toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/186443-25
Datum uitspraak: 10 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 4 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 mei 2025 door de
Sąd Okręgowy w Łodzi, Wydział XVIII Karny [Regional Court in Łódź, 18th Criminal Division],Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op 23 juni 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
nu gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 16 oktober 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 16 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de antwoorden van de Poolse autoriteiten af te wachten op de vragen die door het Internationaal Rechtshulp Centrum van het openbaar ministerie (hierna: IRC) zijn gesteld over de detentieomstandigheden.
Zitting 29 oktober 2025
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 29 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak 12 november 2025 [3]
Bij tussenuitspraak van 12 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten, nu met de aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft hier een redelijke termijn van veertien dagen aan verbonden en heeft geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Ook heeft de rechtbank op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met zestig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 26 november 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 26 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 12 november 2025 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest). Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 12 november 2025. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
In een mailbericht van 13 november 2025 heeft het IRC kortgezegd, onder verwijzing naar een verstrekte detentiegarantie in een andere Poolse overleveringszaak waarna de overlevering door de rechtbank is toegestaan, de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om een soortgelijk garantie voor de opgeëiste persoon.
De Poolse autoriteiten hebben in reactie hierop op 24 november 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“With reference to the last conversation with Prosecutor Jakub Januszkiewicz I would like to kindly inform you about latest information obtained from Detention Facility in Łódź. In accordance with the obtained information there is no maximum number of hours a detainee may be outside of his cell. Inmates at the Detention Facility in Lodz retain e.g. the right to walks; medical and psychological care; cultural, educational and sports activities; ability to work; taking part in religious services and the use of self-paying telephones. Each inmate is treated in accordance with the principles of individualization and respect for human dignity. In the case of detainee (inmate
in pretrial detention) the overriding goal remains the need to ensure the proper conduct of criminal proceedings, therefore his rights (e.g. ability to work) may vary.”
Door het IRC is vervolgens op 24 november 2025 nogmaals om aanvullende informatie gevraagd, inhoudende dat het verzoek om een garantie niet ziet op het maximaal aantal uren, maar op het minimaal aantal uren dat de opgeëiste persoon, onder normale omstandigheden en indien hij daarom verzoekt, buiten zijn cel mag doorbrengen.
De Poolse autoriteiten hebben vervolgens op 25 november 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“According to the information obtain in other case 3026-1.Ds.74.2022 of Regional Public Prosecutor’s Office in Lodz (which should be applied analogously in the case of [opgeëiste persoon] ) the minimum time spent away from the cell per day at Detention Facility in Łódź is 2 hours. This time may be extended depending on the results determined by the facility administration and the inmate's willingness to participate.
Inmates have the opportunity to participate in out-of-cell activities organized by the facility's administration, such as lectures or exhibitions. Information about the possibility of participating in such out-of-cell activities is provided to inmates and they make their own decisions regarding participation. The main venues for these
activities are the recreation rooms located in the individual residential units, the library, and the workshops and rooms designed for this purpose.
In addition, detainee are entitled to an hour-long walk outdoors and an hour-long stay in the recreation room each day (activities in the recreation room are conducted according to a schedule prepared by the counselor).”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie onvoldoende specifiek en onvoldoende onvoorwaardelijk is. Nu het vastgestelde algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest ten aanzien van de opgeëiste persoon niet is weggeomen, moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB en moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aanvullende informatie sprake is van gewijzigde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. In de aanvullende informatie wordt voor de opgeëiste persoon minimaal twee uur buiten de cel gegarandeerd, zodat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan het toestaan van de overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven, door de Poolse autoriteiten verstrekte, aanvullende informatie daarvoor voldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Voor de opgeëiste persoon is 3 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) in een meerpersoonscel gegarandeerd. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte tussen de 3 en 4 m2
in ieder gevalweggenomen met de garantie dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. [4]
Uit de aanvullende informatie van 25 november 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon de garantie wordt geboden dat hij dagelijks minimaal twee uur buiten zijn cel kan verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank is het vastgestelde individuele reële gevaar voor de opgeëiste persoon dan ook weggenomen. Dit betekent dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, waardoor artikel 11 OLW niet langer aan de overlevering in de weg staat.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy w Łodzi, Wydział XVIII Karny (Regional Court in Łódź, 18th Criminal Division),Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.