ECLI:NL:RBAMS:2025:10099

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
1323914425
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met detentiegarantie

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat op 1 april 2025 door Hongarije is uitgevaardigd. De zaak betreft de overlevering van een opgeëiste persoon, geboren in 1969 in Hongarije, die momenteel gedetineerd is in Nederland. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 20 november 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was en werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz. De officier van justitie, mr. A. Keulers, heeft de vordering tot overlevering ingediend.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden zijn voor de overlevering. De verdediging voerde aan dat het lijstfeit 'mensenhandel' niet overeenkomt met de feitomschrijving in het EAB, maar de rechtbank oordeelde dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit correct heeft aangewezen als een lijstfeit. De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in Hongarije beoordeeld en geconcludeerd dat de Hongaarse autoriteiten voldoende garanties hebben gegeven dat de opgeëiste persoon niet in de onveilige detentie-instelling in Tiszalök zal worden geplaatst.

De rechtbank heeft uiteindelijk besloten de overlevering toe te staan, omdat er geen belemmeringen zijn die zich daartegen verzetten. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing, conform artikel 29, tweede lid, OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/239144-25
Datum uitspraak: 4 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 15 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 april 2025 door
the Central District Court of Buda, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] (Hongarije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van
the Child and Juvenile Protection Department of the Investigation General Department of the Budapest Police Headquartersvan 26 februari 2025 (No. 01000/4539-387/ 2024.bü), goedgekeurd door
the Investigation Supervision Department of the Budapest Chief Prosecutor’s Officeop 13 maart 2025 (number NF.5639/2024).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Hongaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De raadsman voert aan dat het lijstfeit ‘mensenhandel’ niet overeenkomt met de feitomschrijving in het EAB. Het lijstfeit is dus niet in redelijkheid aangekruist.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het lijstfeit ‘mensenhandel’ in redelijkheid is aangekruist.
De rechtbank overweegt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit aanwijst als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
mensenhandel.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, naar het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [4] Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Hongarije

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken op basis van het rapport van
the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment(hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök, gelet op de
ill-treatmentvan gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. [5] Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Bij brief van 29 oktober 2025 heeft
the Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Lawde volgende informatie gegeven over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd:
“ (…) 1. Depending on the stage of the criminal proceedings, it cannot be clearly predicted in which Hungarian penitentiary institution the extradited prisoner will initially be placed. Based on the information currently available, and in accordance with the EAW issued by the Central District Court of Buda, he is expected to be held at the Budapest Penitentiary Institution during his arrest. The transfer to the Szombathely Penitentiary Institution will take place out of turn after the final custodial sentence has been imposed.
2. It will be ensured that [de opgeëiste persoon] will not be transferred to the Tiszalök National Penitentiary Institution during his imprisonment. (…)”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de voorgaande individuele garantie van 29 oktober 2025. [6] De Hongaarse autoriteiten hebben gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering niet in
Tiszalök National Penitentiary Institutionzal worden geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. De detentieomstandigheden in Hongarije staan niet aan de overlevering in de weg.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Central District Court of Buda, Hongarije voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
5.Bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 13 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1257, na de tussenuitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:232.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.