ECLI:NL:RBAMS:2025:10114
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand na intrekking verblijfsvergunning en verblijfscode 98
Eiser, afkomstig uit Libië, ontving vanaf januari 2023 een bijstandsuitkering op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Na afwijzing van zijn verzoeken tot verlenging en wijziging van zijn verblijfsvergunning door de IND, kreeg eiser verblijfscode 98, wat betekent dat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft en daarmee geen recht op bijstand.
Verweerder trok de bijstandsuitkering per 11 februari 2025 in. Eiser voerde aan dat hij procedureel rechtmatig verblijf had zolang zijn beroep tegen de IND-besluiten liep en dat hij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht rekenen op doorbetaling van de bijstand. Ook stelde hij dat verweerder het evenredigheidsbeginsel had geschonden vanwege zijn persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat alleen het eerste rechtsmiddel (bezwaar) opschortende werking heeft en dat beroep geen opschortende werking heeft, tenzij een voorzieningenrechter dit bepaalt. Omdat geen dergelijke uitspraak was, had eiser geen recht op bijstand na 11 februari 2025. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel faalde, mede omdat de wet dwingend is en het koppelingsbeginsel geldt. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wegens verblijfscode 98 wordt ongegrond verklaard.