ECLI:NL:RBAMS:2025:10114

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/3813
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ParticipatiewetArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op bijstand na intrekking verblijfsvergunning en verblijfscode 98

Eiser, afkomstig uit Libië, ontving vanaf januari 2023 een bijstandsuitkering op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Na afwijzing van zijn verzoeken tot verlenging en wijziging van de verblijfsvergunning door de IND, kreeg eiser verblijfscode 98, wat betekent dat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft en daarmee geen recht op bijstand.

Verweerder trok de bijstandsuitkering per 11 februari 2025 in, wat eiser betwistte. De rechtbank oordeelt dat alleen het eerste rechtsmiddel (bezwaar) opschortende werking heeft, niet het beroep. Zonder een uitspraak van de voorzieningenrechter die opschortende werking toekent, bestaat geen recht op bijstand. Eiser bracht geen tegenbewijs in dat dit het geval was.

Eiser voerde ook een beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel aan, onder meer vanwege zijn psychische klachten en situatie als slachtoffer van mensenhandel. De rechtbank verwierp deze gronden omdat er geen toezeggingen van verweerder waren en de wet dwingend is. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wegens verblijfscode 98 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3813

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en

het [bedrijf] Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht de bijstandsuitkering van eiser heeft ingetrokken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 maart 2025 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 11 februari 2025 ingetrokken, omdat eiser niet meer beschikt over een verblijfstitel die recht op bijstand geeft. Met het bestreden besluit van 14 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Slimane als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser komt uit Libië en ontving met ingang van 3 januari 2023 een bijstandsuitkering. Eiser had een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden van 9 november 2022 tot 9 november 2023. Eiser heeft tijdig om verlenging gevraagd. Tegen de weigering om de verblijfsvergunning te verlengen (besluit van 20 oktober 2023) heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 oktober 2024 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het bezwaar ongegrond verklaard.
3.1.
Op 23 oktober 2023 heeft eiser wederom om verlenging van de verblijfsvergunning gevraagd. Daarnaast heeft eiser op 8 november 2023 een aanvraag om wijziging van de beperking in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ ingediend. Ook deze twee aanvragen heeft de IND afgewezen (ook een besluit van 25 oktober 2024). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de IND het bezwaar ongegrond verklaard.
3.2.
Nadat het bezwaar van eiser in de verblijfsrechtelijke procedure door de IND op 11 februari 2025 ongegrond is verklaard, kreeg eiser verblijfscode 98. Deze verblijfscode betekent volgens verweerder dat er geen geldige verblijfstitel meer is en geen recht op bijstand bestaat op grond van artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw. Het is een bewuste keuze van de wetgever om alleen rechtmatig verblijf toe te kennen aan vreemdelingen hangende het eerste rechtsmiddel (bezwaar), omdat bezwaar opschortende werking heeft. Beroep heeft geen opschortende werking. Eiser kan niet in aanmerking komen voor bijstand op grond van zeer dringende redenen. Ook is er geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, aldus verweerder.
4. Uit artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen, gezien in verbinding met artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, vloeit – kort gezegd en voor zover hier van belang – voort dat vreemdelingen die in Nederland zijn toegelaten recht kunnen hebben op bijstand. Dit zijn vreemdelingen die (materieel) rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8 onderdelen Pro a tot en met d, van de Vw 2000 (vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben), of op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Vw 2000 (vreemdelingen die toelating ontlenen aan EU-recht). Bij het Besluit gelijkstelling vreemdelingen is deze groep uitgebreid met vreemdelingen, die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van (thans) artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw 2000, tijdig om voortgezette toelating hebben gevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen een besluit tot intrekking van die toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
5. De te beoordelen periode loopt van 11 februari 2025 tot en met 4 maart 2025. In geschil is of betrokkene in de te beoordelen periode met een Nederlander kon worden gelijkgesteld en daarom recht had op bijstand.
6. Eiser voert aan dat hij hangende het beroep tegen de vreemdelingenrechtelijke beslissing op bezwaar ook procedureel rechtmatig verblijf had en dat daarom zijn recht op bijstand niet mocht worden ingetrokken per 11 februari 2025. Verweerder bestrijdt dit met het betoog dat hangende beroep alleen een recht op bijstand blijft bestaan, wanneer er een uitspraak van de voorzieningenrechter ligt waarin is beslist dat betrokkene niet mag worden uitgezet. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verwezen naar een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 maart 2019 en 27 oktober 2014 waarin deze lijn tot uiting komt. [1]
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het primair de verantwoordelijkheid van de IND is om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. [2] Het is dan ook vaste rechtspraak dat bij de beoordeling van het recht op bijstand het op de weg van het bijstandverlenende orgaan ligt om in overleg te treden met de IND over de verblijfsstatus van betrokkene. Verweerder dient daar vervolgens vanuit te gaan.
6.2.
In dit geval heeft verweerder na de beslissing van 11 februari 2025 van de IND gecheckt welke verblijfscode eiser op dat moment heeft. Daaruit bleek dat eiser verblijfscode 98 heeft met ingang van 11 februari 2025. Eiser heeft in beroep daar niets tegenin gebracht. Verblijfscode 98 betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Dat betekent ook dat eiser geen recht meer heeft op bijstand.
6.3.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat slechts hangende beroep nog een recht op bijstand bestaat als er een uitspraak van een voorzieningenrechter ligt op grond waarvan aan het beroep opschortende werking toekomt zodat gedurende de opschortende werking rechtmatig verblijf bestaat op grond van artikel 8, onderdeel h, van de Vw 2000.
De uitspraak waarnaar eiser ter zitting heeft verwezen, namelijk de uitspraak van de CRvB [3] van 25 februari 2025, doet aan het voorgaande niet af. De overweging 4.5.2 waar eiser een beroep op doet, is een algemene overweging waarin wordt uitgelegd wanneer recht op bijstand bestaat bij vreemdelingen. Echter, de uitspraken waar verweerder naar heeft verwezen, geven een nadere invulling op de vraag of hangende beroep nog recht op bijstand bestaat. Dat is slechts het geval als een uitspraak van een voorzieningenrechter opschortende werking geeft aan het beroep. Uit de uitspraak uit 2025 blijkt niet dat een breuk is beoogd met de eerdere rechtspraak waar verweerder naar verwezen heeft. Het Besluit gelijkstelling vreemdelingen lijkt weer te geven dat hangende beroep recht op bijstand bestaat, maar dat is enkel het geval als er een uitspraak van de voorzieningenrechter ligt dat je niet mag worden uitgezet. Slechts het eerste rechtsmiddel heeft opschortende werking. Overigens heeft de rechtbank gezien dat eiser nog een vreemdelingenrechtelijke procedure heeft lopen bij deze rechtbank over de intrekking van eisers verblijfsvergunning tijdelijk humanitair en de afwijzing van de verlenging daarvan. Er ligt echter geen uitspraak van de voorzieningenrechter dat het vreemdelingenrechtelijke beroep opschortende werking heeft.
7. Eiser doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel en verwijst naar informatie op de website van het Juridisch Loket, waaruit volgt dat bij lopende verblijfsprocedures tegen de intrekking van een verblijfsvergunning die in Nederland mogen worden afgewacht (bezwaar en beroep), wel recht op bijstand bestaat. Op grond hiervan kon eiser een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zijn bijstandsuitkering doorbetaald zou worden. Ook uit het feit dat de bijstand werd doorbetaald lange tijd nadat de verblijfsvergunning was ingetrokken op 20 oktober 2023, kon eiser een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zijn bijstand zou worden doorbetaald, ook na februari 2025, hangende de lopende verblijfsprocedures in beroep. Eiser stelt ook dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld, gelet op de omstandigheden dat eiser geen inkomsten heeft en ernstige psychische klachten. Eiser is slachtoffer van mensenhandel en heeft een verklaring van zijn psycholoog overgelegd van 23 juni 2025. Eiser heeft de Libische nationaliteit maar beschikt niet over een paspoort. Eiser heeft contact opgenomen met de Libische ambassade maar zij beschikken niet meer over zijn identiteitspapieren, aldus eiser.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen zijn gedaan of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat verweerder de bijstand door zou laten lopen. De informatie op de website van het Juridisch Loket voldoet daar niet aan. Ook uit het feit dat de bijstand doorliep na 20 oktober 2023, kon eiser geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij bijstand zou blijven krijgen. Immers, de verblijfscode is op 11 februari 2025 gewijzigde naar 98, terwijl eiser daarvoor verblijfscode 33 had waarmee hij wel op recht op bijstand had. De rechtbank ziet ook geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiser hoeft de ontvangen bijstand niet hoeft terug te betalen, er is namelijk geen terugvordering aan de orde. Voorts gaat het om een wet in formele zin en deze is dwingend geformuleerd wegens het koppelingsbeginsel. Het is juist de bedoeling van de wetgever om vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland, geen recht op bijstand te geven.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Uitspraak van 7 februari 2017 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2017:542