ECLI:NL:CRVB:2017:542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- A. Stehouwer
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet langer geldig verblijfsrecht EU-onderdaan
Appellant en zijn echtgenote, beiden Bulgaarse onderdanen, ontvingen sinds 2011 bijstand op grond van de WWB. De staatssecretaris beëindigde het rechtmatig verblijf van appellant en zijn echtgenote vanwege hun beroep op publieke middelen. Het college trok daarop de bijstand in en vorderde onterecht betaalde bedragen terug.
Appellant stelde dat hij duurzaam verblijfsrecht had op grond van artikel 16 van Pro Richtlijn 2004/38/EG, omdat hij sinds 2008 onafgebroken in Nederland verbleef. De Raad overwoog dat het verblijfsrecht volgens het Unierecht wordt vastgesteld door de bevoegde autoriteiten, hier de staatssecretaris, en dat het college en de rechter in beginsel mogen uitgaan van diens besluit.
De Raad concludeerde dat appellant dit betoog had moeten aanvoeren tegen het besluit van de staatssecretaris en dat geen wijziging van omstandigheden was gesteld die aanleiding gaf tot heroverweging. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.