ECLI:NL:CRVB:2014:3478
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking bijstand wegens ontbreken verblijfstitel
Verzoekster, een niet-EU vreemdeling met een intrekking van haar verblijfsvergunning, ontving bijstand op grond van de WWB. Na intrekking van haar verblijfsvergunning en het uitblijven van rechtmatig verblijf, trok het college de bijstand in en vorderde deze terug. Verzoekster stelde dat dit onderscheid onrechtmatig was en beriep zich op het EVRM.
De voorzieningenrechter overwoog dat het onderscheid voortvloeit uit de wettelijke regeling die rechtmatig verblijf toekent aan vreemdelingen gedurende het eerste rechtsmiddel tegen intrekking, maar niet tijdens volgende rechtsmiddelen. Dit onderscheid is geen ongerechtvaardigd onderscheid omdat geen sprake is van gelijke gevallen.
Hoewel verzoekster spoedeisend belang had vanwege dreigende huisuitzetting, kon de voorzieningenrechter geen aanleiding vinden om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek werd daarom afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting vanwege de spoedeisendheid.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf en het daarmee samenhangende ontbreken van recht op bijstand.