ECLI:NL:RBAMS:2025:10181

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
13/258729-24 (zaak A), 13/264282-24 (zaak B), 13/096605-24 (zaak C), 13/009718-23 (zaak D) en 13/280319-23 (zaak E) (ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mishandeling, bedreiging en belediging in meerdere zaken tegen verdachte

Op 3 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte, geboren in 2003, die wordt beschuldigd van meerdere feiten, waaronder mishandeling, bedreiging en belediging. De rechtbank heeft de zaken, die onder verschillende parketnummers zijn ingediend, gevoegd behandeld. De verdachte is beschuldigd van mishandeling van zijn moeder en vader, bedreiging van zijn broer en anderen, en belediging van een benadeelde partij. Tijdens de zitting op 19 november 2025 heeft de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, gepleit voor bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. De verdediging, vertegenwoordigd door mr. M. Rasterhoff, heeft vrijspraak bepleit voor een aantal feiten, met argumenten over de onduidelijkheid van de aangiften en het ontbreken van ondersteunend bewijs.

De rechtbank heeft de tenlastelegging beoordeeld en kwam tot de conclusie dat de verdachte voor een aantal feiten niet bewezen kon worden verklaard, met name de mishandeling en bedreiging van zijn ouders. Echter, de rechtbank achtte de mishandeling van de benadeelde partij en de bedreiging van zijn broer wel bewezen. De rechtbank heeft rekening gehouden met de psychische problematiek van de verdachte, zoals vastgesteld in een Pro Justitia rapport, en heeft geoordeeld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, waarvan 46 uren voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling en meldplicht bij de reclassering. Daarnaast zijn er schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, waarbij de totale schade is vastgesteld op € 1.430,-. De rechtbank heeft de vordering van een andere benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, met de voorzitter R.A. Overbosch en de rechters B. Vogel en C.J.M. in ’t Veld-Vernooij.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/258729-24 (zaak A), 13/264282-24 (zaak B), 13/096605-24 (zaak C), 13/009718-23 (zaak D) en 13/280319-23 (zaak E) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 3 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.F. van Kregten en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Rasterhoff, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, B, C, D en E aangeduid.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
in zaak A:
feit 1:mishandeling van zijn moeder, [moeder] , in de periode van 10 augustus 2024 tot en met 11 augustus 2024;
feit 2:bedreiging van [moeder] in de periode van 1 mei 2024 tot en met 1 juli 2024;
feit 3:bedreiging van [vader] in de periode van 14 juli 2024 tot en met 16 juli 2024;
feit 4:mishandeling van zijn vader, [vader] , op 9 augustus 2024;
feit 5:bedreiging van [broer] op 10 augustus 2024;
in zaak B:
feit 1, primair: poging totzware mishandeling van [benadeelde partij/slachtoffer] op 3 augustus 2024;
feit 1, subsidiair:mishandeling van [benadeelde partij/slachtoffer] op 3 augustus 2024;
feit 2:belediging van [benadeelde partij/slachtoffer] en/of [benadeelde partij] op 3 augustus 2024;
in zaak C:
bedreiging van [naam 1] en/of [naam 2] op 19 maart 2024;
in zaak D:
mishandeling van zijn vader, [vader] , op 9 januari 2023;
in zaak E:
mishandeling van zijn moeder, [moeder] , op 25 oktober 2023.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het/de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken voor het in zaak A onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde, omdat verdachte deze feiten stellig ontkent en op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde feit de aangifte van de moeder van verdachte ontzettend vaag is en onduidelijk is of de verklaring van het broertje van verdachte op hetzelfde moment ziet. Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde feit is sprake van een aangifte van de vader van verdachte die tegenstrijdig is met de verklaring van de broer van verdachte. Ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde stelt de raadsman dat de aangifte van de vader van verdachte onvoldoende steun vindt in overig bewijs, met name door het ontbreken van een letselverklaring, een foto van het letsel of een verklaring van de moeder van verdachte.
De raadsman heeft tevens verzocht verdachte vrij te spreken van de in zaak B primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, omdat er onvoldoende bewijs is dat het slaan of gooien van een gipsplaat tegen de rug de aanmerkelijke kans in het leven roept dat daardoor zwaar lichamelijk letsel ontstaat of dat verdachte deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard.
De raadsman heeft ten aanzien van het feit in zaak E verzocht de bewezenverklaring te beperken tot het eenmaal slaan tegen het hoofd en verdachte partieel vrij te spreken van de gedachtestreepjes die zien op het trekken aan de haren en het duwen, omdat er zich in het dossier geen steunbewijs bevindt voor die handelingen.
De raadsman heeft zich met betrekking tot de overige ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak van het in zaak A onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde
De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de raadsman – het onder zaak A, feit 2, 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.
4.3.2.
Vrijspraak van het in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij van een afstand van ongeveer één meter vanaf een rijdende scooter een gipsplaat heeft gegooid op de rug van aangever [benadeelde partij/slachtoffer] met de bedoeling om aangever pijn te doen. De vraag is of daarmee gezegd kan worden dat verdachte door dit handelen heeft beoogd aangever [benadeelde partij/slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Niet kan worden gezegd dat verdachte door deze handelingen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. Naar het oordeel van de rechtbank staat niet vast dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Een gipsplaat is immers gemaakt van licht en breekbaar materiaal, waarmee niet makkelijk zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht. Nu uit het dossier de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel niet blijkt en de rechtbank ook ambtshalve hiermee niet bekend is, zal verdachte van dit onderdeel (primair) worden vrijgesproken.
4.3.3.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 en 5 ten laste gelegde, het in zaak B onder 1 subsidiair ten laste gelegde en het in zaak C, D en E ten laste gelegde, waarbij de rechtbank verdachte wel van enkele onderdelen van deze beschuldigingen zal vrijspreken, zoals weergegeven in rubriek 5. De rechtbank licht dit als volgt toe en houdt hierbij de chronologische volgorde van de bewezenverklaarde feiten aan.
4.3.4.
Het oordeel over het zaak D ten laste gelegde
De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat de verdachte de ten laste gelegde feiten (voor zover de rechtbank dit bewezen zal verklaren) heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.
4.3.5.
Het oordeel over het in zaak E ten laste gelegde
De rechtbank acht op basis van de aangifte van [moeder] en de verklaring die verdachte ter terechtzitting van 19 november 2025 heeft afgelegd, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn moeder, [moeder] , door haar eenmaal tegen het gezicht te slaan.
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij ten aanzien van de gedachtestreepjes die zien op het trekken of vasthouden van de haren van [moeder] en het duwen van [moeder] , omdat de rechtbank met de raadsman van oordeel is dat deze handelingen onvoldoende steun vinden in overige bewijsmiddelen in het dossier.
4.3.6.
Het oordeel over het in zaak B subsidiair en het in zaak C ten laste gelegde
De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat de verdachte de ten laste gelegde feiten (voor zover de rechtbank dit bewezen zal verklaren) heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.
4.3.7.
Het oordeel over het in zaak A onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht op basis van de aangifte van [moeder] en de verklaring die verdachte ter terechtzitting van 19 november 2025 heeft afgelegd, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn moeder, [moeder] , door aan haar haren te trekken.
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij ten aanzien van de gedachtestreepjes die zien op het vastpakken en knijpen in de armen van [moeder] en het duwen van [moeder] , omdat verdachte deze handelingen niet heeft bekend en deze handelingen onvoldoende steun vinden in overige bewijsmiddelen in het dossier.
4.3.8.
Het oordeel over het in zaak A onder 5 ten laste gelegde
De rechtbank acht op basis van de aangifte van [broer] en het proces-verbaal van bevindingen met de uitgeschreven voice memo’s bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [broer] .

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
ten aanzien van feit 1:
op 11 augustus 2024 te Amsterdam, zijn moeder, [moeder] , heeft mishandeld door voornoemde [moeder] aan de haren te trekken;
ten aanzien van feit 5:
op 10 augustus 2024 te Amsterdam, [broer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [vader] dreigend de woorden toe te voegen: 'Ga wissen wat je op je kanker telefoon hebt staan. Anders kan je je eigen kankerkist uitzoeken. Ga wissen wat erop die vieze homotelefoon staat voordat je jezelf kan begraven met een pik in je kont. Jij gaat dood he, wolah jij gaat dood he';
Zaak B:
feit 1, subsidiair:
op 3 augustus 2024 te Amsterdam, [benadeelde partij/slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij/slachtoffer] met een plaat tegen de rug te gooien;
feit 2:
op 3 augustus 2024 te Amsterdam, opzettelijk [benadeelde partij/slachtoffer] en [benadeelde partij] , in het openbaar mondeling, heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: 'vieze homo's';
in zaak C:
feit 1:
op 19 maart 2024 te Amsterdam, [naam 1] en [naam 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [naam 1] en [naam 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik schiet je dood, wacht maar, ik schiet een kogel door je kop" en "Kom dan hier kankerlijer, ik maak je af, ik maak jullie allemaal dood";
in zaak D:
feit 1:
op 9 januari 2023 te Amsterdam, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [vader] , heeft mishandeld door die [vader] vast te pakken bij de keel en meermaals te slaan in het gezicht;
in zaak E:
feit 1:
op 25 oktober 2023 te Amsterdam, zijn moeder, [moeder] , heeft mishandeld door die [moeder] te slaan tegen het hoofd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank heeft kennis genomen van een Pro Justitia rapportage van 26 juni 2025, opgemaakt door psychiater B. van Berkel en GZ-psycholoog J. Yntema. Hieruit blijkt dat verdachte lijdt aan een gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis.
De psychiater en de GZ-psycholoog hebben geadviseerd het tenlastegelegde in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en hebben dit als volgt toegelicht:
“Bij verdachte is sprake van een (situationele) gebrekkige impulscontrole, emotieregulatie en frustratietolerantie. Dit maakt dat verdachte sneller in conflict raakt met een ander. Eenmaal in conflict maakt verdachte zich niet meer gemakkelijk los van zijn hardnekkige overtuigingen te worden benadeeld of bedreigd; hij maakt dingen groter en is niet in staat om het conflict - zonder de hulp van een ander - te de-escaleren. Hij is feitelijk afhankelijk van externe regulering. Verdachte verliest dan zijn mentaliserend vermogen. Hij bezit nauwelijks gezonde copingsvaardigheden om zijn ontremming en agressieve impulsen te kunnen reguleren in (voor hem) stressvolle of uitlokkende situaties. (…) Verdachtes vermogen zijn wil in vrijheid te bepalen en te handelen naar het besef dat geweld niet geoorloofd was, was aangetast door beschreven stoornissen en de daaruit voortvloeiende beperkingen zoals beschreven. Dit leidt tot het advies om betrokkene het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. (…)”
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten die tot een andere conclusie zouden moeten leiden en neemt het advies van de deskundige over.
Verdachte is strafbaar, maar het bewezenverklaarde kan verdachte wegens psychische problematiek slechts verminderd worden toegerekend. Met het laatste zal de rechtbank rekening houden bij de hierna te bepalen hoogte van de straf.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 117 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de verminderde toerekeningsvatbaarheid. Ook heeft de raadsman verzocht om ten aanzien van het feit in zaak C rekening te houden dat verdachte ook is geslagen door een van de slachtoffers.
Verdachte heeft aangegeven dat hij geen vertrouwen meer heeft in de reclassering. De raadsman heeft daarom primair verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een voorwaardelijke taakstraf van 100 uren op te leggen en de proeftijd te beperken tot één jaar, omdat verdachte al twee jaren is geschorst onder voorwaarden.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn broertje, mishandeling van zijn vader en mishandelingen van zijn moeder. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en het veiligheidsgevoel van zijn familie in hun eigen huis. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij/slachtoffer] , belediging van [benadeelde partij/slachtoffer] en [benadeelde partij] en bedreiging van [naam 1] en [naam 2] op straat in Amsterdam. De feiten hebben grote indruk gemaakt op de slachtoffers, zoals blijkt uit de aangiftes en de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij/slachtoffer] en [benadeelde partij] . Zo heeft benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] in zijn vordering aangegeven dat hij sinds het incident minder goed slaapt, wakker wordt door nachtmerries en zich angstig voelt op straat. Geweldsincidenten, belediging op straat en bedreiging dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij en de rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapporten van 14 augustus 2024, 23 augustus 2024, 19 september 2024, 4 oktober 2024 en 4 november 2025. De reclassering adviseert om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole. Daarbij adviseert de reclassering dat zij de opdracht krijgt om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 4 augustus 2025. Hieruit komt – kort gezegd – naar voren dat het delictgedrag van verdachte sterk samenhangt met zijn psychiatrische problematiek.
Straf
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zijn blanco strafblad en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank ziet dat het nu goed gaat met verdachte en zal daarom geen straf opleggen waardoor hij weer vast komt te zitten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en zal een taakstraf opleggen in plaats van een gevangenisstraf.
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat het recidiverisico als gemiddeld-hoog wordt ingeschat en dat verdachte hulp nodig heeft van de reclassering, omdat zijn delictgedrag direct samenhangt met zijn psychiatrische problematiek. De rechtbank wil hem deze kans op hulp ook geven en zal daarom een voorwaardelijk strafdeel opleggen, als stok achter de deur om zich aan de bijzondere voorwaarden te houden en geen nieuwe strafbare feiten te plegen.
Alles overwegende krijgt verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, waarvan 46 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en middelencontrole.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte toen het niet goed met hem ging in een relatief korte periode veel verschillende (gewelds)delicten heeft gepleegd. Als verdachte geen begeleiding heeft in een periode dat het minder met hem gaat is de rechtbank bang dat hij wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van [benadeelde partij/slachtoffer]
De benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] vordert € 430,- aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft ten aanzien van de materiële kosten verzocht om het eigen risico ter hoogte van € 385,- niet toe te wijzen, omdat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de kosten voor de GGZ een rechtstreeks gevolg zijn van dit feit. De benadeelde partij heeft immers aangegeven dat hij reeds in behandeling was voor andere problematiek. Op basis van de stukken behorend bij de vordering is onduidelijk of het eigen risico niet al door andere zorgkosten in rekening is gebracht.
De raadsman heeft verzocht om de vordering ten aanzien van de immateriële schade aanzienlijk te matigen en een bedrag ter hoogte van € 500,- toe te wijzen, omdat rekening moet worden gehouden met wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd voor mishandeling.
Vordering tot materiële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering tot de vergoeding van materiële schade bestaande uit de kosten voor de fysiotherapiebehandeling die niet door de zorgverzekering werden vergoed is niet betwist. Deze kostenpost is onderbouwd, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en het gevorderde bedrag van € 45,- zal daarom geheel worden toegewezen
De vordering tot de vergoeding van materiële schade bestaande uit de kosten voor het eigen risico voor 2025 van € 385,- is gemotiveerd betwist. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij ook vóór het feit – gepleegd in augustus 2024 - onder behandeling was bij een psycholoog voor psychische klachten. De benadeelde partij heeft onderbouwd dat die behandeling zich in het stadium van afronding bevond. De gestelde doelen waren bereikt, zijn klachten waren significant afgenomen er resteerde geen hulpvraag meer, anders dan bestendiging van het reeds aangeleerde. Sinds het bewezenverklaarde kreeg de benadeelde partij opnieuw stevige psychische klachten en is de behandeling bij de psycholoog voortgezet. Ook is hem in dat kader medicatie voor angstreductie voorgeschreven. Uit het door de benadeelde partij overgelegde ‘Overzicht zorgkosten 2025’ blijkt dat de behandelingen in 2025 door zijn gegaan. De kosten voor het eigen risico voor 2025 worden om die reden dan ook toegewezen.
Vordering tot immateriële schade
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding nu hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft door toedoen van verdachte immers letsel aan zijn rug opgelopen. Gezien de aard van het handelen van de verdachte en de ernstige inbreuk die daarmee op de benadeelde partij is gemaakt, is de rechtbank voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte op andere wijze in zijn persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Dit levert eveneens een grondslag voor de toekenning van immateriële schadevergoeding op.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, de aard en de ernst van het letsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-.
Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Conclusie
De rechtbank stelt de totale schade vast op € 1.430,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2024, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en de schade is ontstaan, tot aan de dag van voldoening.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze worden begroot op nihil.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan gijzeling voor de duur van 24 dagen worden toegepast, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De vordering van [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 327,87 aan vergoeding van materiële schade [1] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen, omdat uit de stukken niet duidelijk blijkt dat deze kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het feit in zaak B onder 2 en of het eigen risico niet reeds door andere zorgkosten in rekening is gebracht. Uit het door de benadeelde partij bij de vordering bijgevoegde overzicht van de zorgkosten in 2024 zijn juist de bedragen omcirkeld die wel door het eigen risico worden vergoed.
De rechtbank overweegt als volgt. De benadeelde partij vordert vergoeding voor door hem geleden materiële schade in verband met de kosten van twee sessies bij de psycholoog. Nu uit de door hem gegeven onderbouwing naar voren komt dat deze sessies door de zorgverzekeraar zijn vergoed uit de basisverzekering heeft hij echter geen schade geleden. Zijn stelling dat deze sessies voor andere problematiek bedoeld waren en hij deze – kennelijk op eigen kosten - alsnog wil laten plaatsvinden, duidt op (mogelijke) toekomstige schade, maar een dergelijke vordering is (thans) niet toewijsbaar.
Dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij dient als in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden begroot op nihil.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 266, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A, feit 1 en zaak E:
telkens: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn moeder
ten aanzien van zaak A, feit 5:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
ten aanzien van zaak B, feit 1, subsidiair:
mishandeling
ten aanzien van zaak B, feit 2:
eenvoudige belediging, meermalen gepleegd
ten aanzien van zaak C:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
ten aanzien van zaak D:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn vader
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
180 (honderdtachtig) uren.
Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
90 (negentig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
46 (zesenveertig) uren, van deze taakstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van
23 (drieëntwintig) dagen.
Stelt daarbij een proeftijd van
twee jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door JVZ Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft bij Stichting Care & Coaching of soortgelijke instelling voor begeleid en/of beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is reeds gestart. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en softdrugs om het middelengebruik te beheersen, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer]
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij/slachtoffer]gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 430,- (vierhonderddertig euro) aan vergoeding van materiële schade en
€ 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 3 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij/slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij/slachtoffer] aan de Staat
€ 1.430,- (duizend vierhonderddertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 3 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Bepaalt dat de benadeelde partij
[benadeelde partij] niet-ontvankelijkin zijn vordering is.
Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. B. Vogel en C.J.M. in ’t Veld-Vernooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 december 2025.
[--]
[--]
[--]
[--]

Voetnoten

1.In de vordering tot schadevergoeding stond deze schade onder de post ‘immateriële schade’, maar de rechtbank begrijpt dit – gelet op de inhoud van de kostenpost, te weten de kosten van twee sessies bij de psycholoog – als een vordering tot materiële schade.