ECLI:NL:RBAMS:2025:10437

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
13/225696-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 326 SrArt. 343 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor meerdere strafbare feiten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 december 2025 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Frankfurt am Main District Court. De opgeëiste persoon, een Duitse onderdaan, werd verdacht van meerdere strafbare feiten volgens Duits recht, waaronder oplichting en valsheid in geschrift.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de formele vereisten en dat voor een van de strafbare feiten, oplichting, het lijstfeitcriterium van de Overleveringswet (OLW) van toepassing was, waardoor dubbele strafbaarheid niet onderzocht hoefde te worden. Voor de overige feiten werd getoetst aan het vereiste van dubbele strafbaarheid en de Nederlandse strafwetgeving, waarbij de meeste feiten als strafbaar werden erkend.

Eén feit, het opzettelijk vertragen van het aanvragen van een faillissement, werd niet als strafbaar in Nederland beoordeeld. Desondanks besloot de rechtbank af te zien van weigering van overlevering op grond van artikel 7 OLW Pro, mede omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft en de overige feiten toelaatbaar waren.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig waren en stond de overlevering toe. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters in aanwezigheid van de griffier, en is onherroepelijk volgens de OLW.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering toe van de Duitse onderdaan op basis van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/225696-25
Datum uitspraak: 16 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 3 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2025 door de
Frankfurt am Main District Court, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (Duitsland),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Duitse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de
Frankfurt am Main District Courtop 14 augustus 2024, met kenmerk 915 Ls 7680 Js 239145/22.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het tweede strafbare feit waarvoor de overlevering wordt verzocht aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het tweede strafbare feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten (feiten 1 en 3 tot en met 8) niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan voor het derde tot en met het achtste strafbare feit.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
valsheid in geschrift;
oplichting;
benadeling door een bestuurder of commissaris van een rechtspersoon van schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden, meermalen gepleegd.
Het eerste strafbare feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, kort gezegd het opzettelijk vertragen van het aanvragen van een faillissement, levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op. Als gevolg hiervan kan de rechtbank de overlevering weigeren op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, OLW.
De opgeëiste persoon heeft op dit punt geen verweer gevoerd. De rechtbank ziet in dit geval ook overigens aanleiding om van de weigering af te zien. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is immers begaan in Duitsland, door een onderdaan van Duitsland. Daar komt bij dat de overlevering voor de overige feiten toelaatbaar wordt geacht.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 225, 326 en 343 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Frankfurt am Main District Court, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.