1.2Artikel 12 OLW
Het verzoek vermeldt onder d) dat de overgeleverde persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat geleid heeft tot de beslissing. Ook is aangegeven:
“De beslissing is op 09-12-2024 aan de betrokkene betekend, en hij is uitdrukkelijk geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten grond wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. (…) De betrokkene heeft niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend.”
Verder heeft het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, op 15 juli 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“Betrokkene werd veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf met probatie-uitstel bij vonnis dd. 12.12.2019. Vermits [opgeëiste persoon] zijn probatievoorwaarden niet naleefde, werd hij gedagvaard voor herroeping probatie, hetgeen resulteerde in het vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen dd. 01.02.2021, bij verstek gewezen. Tegen dit vonnis herroeping tekende betrokkene verzet aan, hetgeen dan weer resulteerde in het vonnis dd. 08.01.2024 waarin het eerder vonnis tot herroeping dd. 01.02.2021 bevestigd werd en het probatie-uitstel dus ook herroepen werd, waardoor de gevangenisstraf uitvoerbaar werd.
De herroeping van dit probatie-uitstel gebeurde niet op basis van een nieuwe veroordeling, doch op basis van het niet naleven van de opgelegde probatie-voorwaarden. (…)”
Op basis van deze informatie concludeert de rechtbank dat de overgeleverde persoon een verzetprocedure heeft gevoerd met betrekking tot het vonnis van 1 februari 2021, hetgeen geleid heeft tot een vonnis van 8 januari 2024. Onduidelijk is echter of hij zijn verdedigingsrechten in de procedure die geleid heeft tot het vonnis van 12 december 2019 (waarbij de veroordeling is uitgesproken) heeft kunnen uitoefenen. Uit het verzoek zelf blijkt niet onomwonden dat hetgeen ingevuld is onder d) op deze procedure ziet. De rechtbank ziet daarom aanleiding de volgende vraag ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Heeft hetgeen in het verzoek onder d) is opgenomen betrekking op de oorspronkelijke procedure die heeft geleid tot het vonnis van 12 december 2019 van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen? Zo nee, kan dan informatie als bedoeld onder d) in het EAB worden verstrekt over de procedure die heeft geleid tot dat vonnis?
Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunnen dan de volgende vragen worden beantwoord:
a) Was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces dat heeft geleid tot de beslissing?
b) Heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Belgische autoriteiten? En, zo ja: is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de autoriteiten moest doorgeven?