ECLI:NL:RBAMS:2025:10522

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
25-6616
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • L.M. Klinkhamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 174a GemeentewetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning na explosie en drugsvondst

De burgemeester van Diemen sloot de woning van verzoekster voor drie maanden na een explosie op de galerij en de vondst van lachgasflessen en druggerelateerde aanwijzingen in de woning. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de woning te heropenen totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van artikel 174a Gemeentewet, gezien de ernstige verstoring van de openbare orde door de explosie en de aanwijzingen voor betrokkenheid bij criminele activiteiten. De burgemeester heeft de noodzaak en evenwichtigheid van de maatregel voldoende gemotiveerd.

Verzoekster stelde dat zij niets met de explosie of de drugs te maken had, dat de maatregel onevenredig was en dat zij geen alternatieve woonruimte had. De voorzieningenrechter erkent het belastende karakter van de maatregel, maar acht de sluiting niet onevenwichtig en ziet geen minder ingrijpende maatregel die de openbare orde voldoende kan waarborgen.

De voorzieningenrechter concludeert dat het spoedeisend belang aanwezig is, maar dat de belangenafweging en motivering van de burgemeester standhouden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, en de woning blijft gesloten voor drie maanden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen en de woning blijft drie maanden gesloten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/6616

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K. Jevtovic),
en

de burgemeester van de gemeente Diemen, de burgemeester

(gemachtigden: R. Oskam en J. Visser).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de huurwoning van verzoekster (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden. [1] Verzoekster is het niet eens met de sluiting en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Gekoppeld aan het bezwaar verzoekt zij om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de woning weer wordt geopend totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak dat verzoek.
1.1.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het verzoek wordt afgewezen. De burgemeester heeft de belangen bij de sluiting zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoekster en de woning mogen sluiten. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 16 november 2025 (schriftelijke vastgelegd in het sluitingsbevel van 20 november 2025) heeft de burgemeester de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] gesloten
.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester deelgenomen.

Totstandkoming van het besluit

3. De woning ligt op de eerste verdieping van een flatgebouw. Verzoekster staat als enige ingeschreven op het adres van de woning. Op 14 november 2025 is rond 08:30 uur een explosief voor de woning aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat dit explosief is aangestoken, maar niet is afgegaan. Op 16 november 2025 om 03:08 uur heeft er op de galerij voor de voordeur van de woning een explosie plaatsgevonden. Daardoor zijn de ruiten aan de voorzijde van de woning eruit geblazen en is de gevel beschadigd. De berging die onder de galerij ligt, moest gestut worden. Daarnaast hebben omliggende woningen schade opgelopen. Ook is er een galerijplaat van 1,5 x 2 meter de straat opgeslingerd en op een geparkeerde auto beland. Aan de zijkant van de woning stonden de naam van de zoon van verzoekster en iets onleesbaars op de muur geschreven. De burgemeester heeft daaropvolgend de woning gesloten voor de duur van 4 weken. [2]
4. Verzoekster was op het moment van de explosie niet thuis. Zij was van 6 november 2025 tot en met 16 november 2025 in het buitenland. Op 17 november 2025 heeft zij spullen uit de woning opgehaald. Op dat moment zijn in de woning drie lachgasflessen aangetroffen. Twee lachgasflessen waren leeg. De derde was gevuld met 1,7 kilo lachgas. Ook zijn in de woning een papiertje met een handgeschreven lijstje verdovende middelen (drugslijstje) en drie PostNL-jassen aangetroffen. De burgemeester heeft naar aanleiding hiervan besloten om de sluiting te verlengen naar de duur van drie maanden. [3]

Het toetsingskader

5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. [4] Allereerst beoordeelt de voorzieningenrechter of verzoekster in dit geval een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening heeft. Vervolgens maakt de voorzieningenrechter een afweging van enerzijds het belang van verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het belang dat wordt gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Als algemeen uitgangspunt geldt namelijk dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van de woning rechtmatig acht.
6. De sluiting van een woning is een ingrijpende maatregel. De voorzieningenrechter kijkt daarom, als de gronden van betrokkene daar aanleiding toe geven, niet alleen of de burgemeester formeel bevoegd was de woning te sluiten, maar ook of de burgemeester in het concrete geval van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. De burgemeester mag namelijk alleen van zijn bevoegdheid om een woning te sluiten gebruik maken als die maatregel evenredig is. Die toets houdt in dat de burgemeester (i) de noodzakelijkheid en (ii) de evenwichtigheid van woningsluiting moet hebben beoordeeld. De voorzieningenrechter toetst of de burgemeester tot de conclusie kon komen dat de woningsluiting noodzakelijk en evenwichtig was. [5]

Standpunten van partijen

7. De explosie is volgens de burgemeester een gerichte, doelbewuste en ernstige daad van geweld geweest die de openbare orde rond de woning ernstig heeft verstoord. De burgemeester ziet ook aanleiding voor betrokkenheid van de woning in het druggerelateerde circuit. Dat is volgens hem een verzwarende omstandigheid geweest die sluiting voor de duur van drie maanden rechtvaardigt. De burgemeester verwijst naar de op 17 november 2025 aangetroffen voorwerpen in de woning en de omstandigheid dat familieleden van verzoekster antecedenten op hun naam en toegang tot de woning hebben. Uit de bestuurlijke rapportage van 17 november 2025 blijkt dat bij de politie bekend is dat de twee zonen van verzoekster actief zijn in het criminele circuit. Volgens de burgemeester hebben ook omwonenden verkeersbewegingen van en naar de woning gezien. Als de woning open zou blijven is er volgens de burgemeester een reëel risico op herhaling of escalatie. Die situatie is onveilig voor omwonenden en zorgt voor onrust. Met een minder ingrijpend middel dan de woningsluiting, zoals camerabewaking, kan volgens de burgemeester niet de kans op herhaling en de onrust worden weggenomen. Het belang van de openbare orde weegt in dit geval volgens de burgemeester zwaarder dan het individuele belang van verzoekster.
8. Verzoekster betoogt dat de burgemeester onvoldoende kennis heeft vergaard over de relevante feiten en af te wegen belangen en daarom met de woningsluiting in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Volgens verzoekster heeft de burgemeester niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van het verhandelen van drugs vanuit de woning. Hij heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de spullen die in de woning zijn aangetroffen en verzoekster heeft niet de kans gehad daar uitleg over te geven. De burgemeester mocht daarom niet tot een verlenging van de woningsluiting voor de duur van drie maanden overgaan. [6] De in de woning aangetroffen spullen vergroten de dreiging op een nieuwe aanval volgens verzoekster niet. Die dreiging is er ook niet, omdat het om een misverstand moet gaan. Volgens verzoekster is de aanval niet op haar gericht en blijkt dat ook uit de omstandigheden dat zij niet thuis was op het moment van de explosie en niet haar naam maar de naam van een familielid op de muur stond geschreven. Verzoekster voert aan dat zij alleen woont en niets weet van de aangetroffen spullen in haar woning. Zij is juist slachtoffer van de gebeurtenissen.
8.1.
Verzoekster betoogt daarnaast dat de woningsluiting voor de duur van drie maanden niet noodzakelijk en evenwichtig is gelet op het doel dat de burgemeester daarmee probeert te bereiken, te weten het voorkomen van een nieuwe aanslag en het beschermen van omwonenden. Volgens verzoekster had de burgemeester met een minder ingrijpende maatregel dan de woningsluiting, zoals het aanbrengen van camera’s of het vervangen van sloten op de woning, kunnen volstaan. [7] Zij zal de sleutel van haar woning ook terugvragen aan haar familieleden. Ook had de burgemeester volgens verzoekster in de belangenafweging rekening moeten houden met de omstandigheden dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor drugshandel vanuit de woning, zij niets met de explosie te maken heeft en er nog geen verdachten zijn. De burgemeester heeft daarnaast onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat verzoekster nu midden in de winter op straat leeft. Verzoekster beschikt niet over een andere woonruimte of de financiën om een andere woonruimte te huren. Zij kan ook niet bij familie of vrienden verblijven. Op zitting heeft verzoekster verklaard dat haar vrienden te bang zijn om haar in huis te nemen en haar alleen een warme douche bieden. Verzoekster is daarom aangewezen op de nachtopvang, maar voelt zich daar onveilig vanwege het verblijf van personen met verslavingsproblematiek. Verzoekster vindt dat de burgemeester haar opvang had moeten bieden na de sluiting. [8]
8.2.
Ten slotte betoogt verzoekster dat de burgemeester bij de sluiting van de woning vooringenomen heeft gehandeld. Volgens verzoekster heeft de burgemeester de vooringenomen mening gehad dat zij betrokken is bij het handelen in drugs zonder over concrete bewijzen daarvoor te beschikken. Dat familieleden de sleutel van de woning in hun bezit hadden, rechtvaardigt volgens verzoekster niet dat zij de woning nu niet mag betreden.

De beoordeling van deze zaak door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
9. De voorzieningenrechter neemt aan dat het spoedeisend belang in deze zaak gegeven is, aangezien het om een belastend besluit tot woningsluiting gaat dat feitelijk is geëffectueerd. Een woningsluiting heeft verstrekkende gevolgen, in dit geval te meer omdat verzoekster heeft toegelicht dat zij sinds de sluiting geen onderdak heeft en is aangewezen op de nachtopvang.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
10. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester deugdelijk gemotiveerd dat hij in dit geval op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, bevoegd was de woning te sluiten. Vanwege de zware explosie en de angst en schade (ook voor omwonenden) als gevolg daarvan, heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat door ernstig geweld in de onmiddellijke nabijheid van de woning de openbare orde rond de woning ernstig is verstoord. Met de woningsluiting kan de burgemeester de openbare orde herstellen, herhaling van zo’n verstoring voorkomen en het veiligheidsgevoel van omwonenden waarborgen. Dat het, zoals verzoekster aanvoert, in dit geval zou gaan om een misverstand en er geen kans is op herhaling, volgt de voorzieningenrechter niet. De burgemeester heeft uit de omstandigheden dat twee keer een explosief voor de woning is gelegd, de naam van een familielid op de muur stond geschreven en er in juli 2022 ook incidenten hebben plaatsgevonden bij de woning, kunnen afleiden dat het om een gerichte aanval met een kans op herhaling gaat.
10.1.
Ook de verlenging van de woningsluiting naar de duur van drie maanden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende zorgvuldig geweest en deugdelijk gemotiveerd. De burgemeester heeft als verzwarende omstandigheid bij de ordeverstoring de vondst van de lachgasflessen, de PostNL-jassen en het drugslijstje kunnen betrekken. Dit heeft de burgemeester het vermoeden kunnen geven dat de explosie mogelijk gerelateerd is aan criminele activiteiten. Daarbij is van belang dat het gaat om een handelshoeveelheid lachgas en uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Dat geldt zelfs als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. [9] Ook de politie heeft in de bestuurlijke rapportage van 17 november 2025 aan de burgemeester geschreven dat er aanwijzingen zijn dat de incidenten bij de woning gerelateerd zijn aan ondermijnende of criminele activiteiten. Dat is anders dan in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant [10] waar verzoekster zich op beroept. In die zaak werd de woningsluiting pas na vier weken verlengd, omdat de burgemeester op dat moment een bestuurlijke rapportage ontving. Dat verzoekster aanvoert dat zij niet van de aanwezigheid van de spullen op de hoogte was en dat zij persoonlijk niets met de aanval te maken heeft, doet niet af aan het oordeel dat de burgemeester in dit geval in beginsel bevoegd was om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. Verzoekster heeft niet toegelicht om welke andere reden de aangetroffen spullen in haar woning aanwezig waren en waardoor sluiting voor de duur van drie maanden niet noodzakelijk zou zijn. [11] De enkele stelling op zitting dat haar zoon bij PostNL werkzaam zou zijn geweest, acht de voorzieningenrechter daarvoor onvoldoende.
Verbod op vooringenomenheid
11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het sluitingsbevel en het onderliggende dossier niet dat de burgemeester verzoekster ten onrechte als drugshandelaar zou bestempelen en daarmee in strijd met het verbod op vooringenomenheid zou handelen. De burgemeester maakt verzoekster het verwijt dat zij als hoofdhuurster van de woning verantwoordelijk is voor wat zich in de woning afspeelt en zij ook op de hoogte is van de antecenten van haar familieleden. Hij maakt haar niet het verwijt dat zij persoonlijk betrokken is bij de handel in drugs.
Noodzakelijkheid
12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de sluiting van de woning voor drie maanden noodzakelijk kunnen achten. De omstandigheid dat twee explosieven bij de woning zijn neergelegd, waarvan één schade heeft aangericht aan de woning, andere delen van het flatgebouw en een op straat staande auto, is voldoende zwaarwegend om deze maatregel in te zetten om de openbare orde te herstellen. De burgmeester heeft gemotiveerd dat het om een gerichte aanval gaat en dat, anders dan in de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant [12] , de dreiging voor de openbare orde nog niet is weggenomen (zie deze uitspraak onder 10).
12.1.
De burgemeester heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat niet met een minder ingrijpend middel kan worden volstaan om de openbare orde te waarborgen.
Omdat het om ernstig gericht geweld gaat, het politieonderzoek nog niet is afgerond en er geen verdachte is aangehouden, kan de burgemeester door enkel het gebruik van camera’s de kans op herhaling niet uitsluiten. Ook heeft verzoekster op zitting verklaard dat zij zelf twee keer eerder de sloten van de woning heeft vervangen, maar in ieder geval één van haar zonen haar sleutel weer wist te bemachtigen. De voorzieningenrechter ziet daarom niet dat het vervangen van sloten op de woning uitkomst zou bieden. Daarbij heeft de burgemeester ook betrokken dat door de explosie omwonenden ernstig zijn geschrokken en een gevoel van onveiligheid is ontstaan. Voor het herstellen van de rust, is een sluiting van drie maanden noodzakelijk.
Evenwichtigheid
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning in dit geval niet onevenwichtig is. Het is inherent aan de sluiting van een woning dat verzoekster de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Het is voor verzoekster zwaar dat zij bij vrienden alleen gebruik kan maken van een douche, maar verder veelal op straat leeft en is aangewezen op de nachtopvang waar zij zich niet prettig voelt. Volgens de voorzieningenrechter maakt dit echter niet dat de burgemeester de woningsluiting onevenwichtig had moeten achten en hij de woning niet had mogen sluiten of verzoekster vervangende opvang had moeten bieden. In de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam [13] waarop verzoekster zich beroept, ging het om een andere feitelijke situatie. In dat geval woonde er een minderjarig kind in de woning. Bovendien heeft de voorzieningenrechter ook in die uitspraak overwogen dat ouders van een minderjarige in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte. In het geval van verzoekster die geen minderjarige kinderen bij haar in huis heeft wonen, is dat niet anders. Nog los van de omstandigheid dat verzoekster heeft verklaard dat zij een procedure heeft lopen bij de kantonrechter vanwege een huurachterstand, weegt ook mee dat de woning op dit moment naar grote waarschijnlijkheid niet bewoonbaar is vanwege de schade. Daarnaast heeft verzoekster tijdens de zitting verklaard dat zij vooralsnog zelf te bang is om terug te keren naar de woning.

Conclusie en gevolgen

14. De slotsom is dat de burgemeester, gelet op al het voorgaande, in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel dat de burgemeester voor de duur van drie maanden heeft gegeven op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet.
2.Op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet.
3.Op grond van artikel 174a, derde lid, van de Gemeentewet.
4.Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
6.Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4589.
7.Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 28 januari 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:374.
8.Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2696.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
11.Vergelijk de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8343.