Uitspraak
mr. V.J.H. van Tienen namens DNB en [de persoon 2] namens het FD. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek gesloten.
3 augustus 2023 geïnformeerd dat de documenten die dag aan het FD zouden worden verstrekt, nadat eiseres eerst de gelegenheid geboden is om een voorlopige voorziening te verzoeken. Wat betreft de grondslag voor het publiceren van de openbaar gemaakte documenten op de website van DNB verwijst de rechtbank naar artikel 4.5, eerste lid, in samenhang met artikel 2.4, derde lid, van de Woo. Daaruit volgt dat een bestuursorgaan de verzochte informatie in de door de Woo-verzoeker verstrekte vorm verstrekt en dat openbaarmaking op zodanige wijze geschiedt dat de Woo-verzoeker en de belangstellende burger zoveel mogelijk wordt bereikt op een algemene toegankelijke wijze in een voor hergebruik beschikbare vorm. Publicatie op het internet is daarbij een logische keus. De rechtbank merkt daarbij nog op dat partijen op de zitting van 14 februari 2025 hebben afgesproken dat openbaarmaking op de website van DNB zal plaatsvinden twee weken na bekendmaking van deze uitspraak, zodat eiseres voldoende tijd wordt geboden om een voorlopige voorziening te verzoeken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk geen verschil geweest tussen de situatie in de bezwaar- en de beroepsfase.
Volgens eiseres had DNB voorts het besluit om eiseres en het FD afzonderlijk van elkaar te horen [5] moeten doortrekken naar de terinzagelegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. DNB had twee afzonderlijke inventarislijsten moeten opstellen, inclusief twee sets aan op de zaak betrekking hebbende stukken. Eiseres meent dat DNB zelfs twee afzonderlijke besluiten had moeten nemen om het risico uit te sluiten dat door middel van het bestreden besluit alsnog (extra) informatie met het FD werd gedeeld zonder expliciete grondslag in de Woo. DNB heeft volgens eiseres met het bestreden besluit dan ook miskend dat zij via de terinzagelegging alsnog informatie (indirect) aan het FD openbaar heeft gemaakt, waartoe de Woo niet noopte.
voor zovergeheimhouding om gewichtige redenen geboden is. DNB heeft onderzocht in hoeverre geheimhouding om gewichtige redenen geboden is en hiernaar gehandeld door bepaalde informatie te lakken en alleen deze geschoonde versies aan de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te voegen. De rechtbank is het met DNB eens dat eiseres onvoldoende concreet heeft toegelicht (welke delen van) de op de zaak betrekking hebben stukken ten onrechte aan het FD ter inzage zijn gelegd en waarom ten aanzien daarvan sprake zou zijn van gewichtige redenen. Dat eiseres als onderwerp van het Woo-verzoek een voorrangspositie dient te hebben, is daartoe onvoldoende. De rechtbank is verder niet gebleken dat eiseres door het indienen van een bezwaarschrift in een nadeligere positie is gekomen ten aanzien van de informatie die het FD over haar heeft ontvangen. Het FD had immers zelf ook een bezwaarschrift ingediend en op basis daarvan recht op inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken.
De beoordeling van de reikwijdte van het Woo-verzoek
alleinformatie die bij DNB berust over eiseres als toezichtvertrouwelijke informatie moet worden aangemerkt. De enige relatie die zij met DNB heeft, betreft die als onder zijn toezicht staande instelling. Daarmee komt alle informatie die DNB over eiseres onder zich heeft voort uit die toezichtrelatie. Eiseres verwijst daarbij ook naar het feit dat DNB van de Wob was uitgezonderd [8] en dat deze toezichtuitzondering volgens de rechtspraak ruim geïnterpreteerd diende te worden. [9] Uit die rechtspraak volgt dat alle informatie bij DNB die voortvloeit dan wel verband houdt met een wettelijke taak of bevoegdheid van DNB onder de toezichtuitzondering valt, ongeacht welke gegevens daarbij betrokken zijn en of die informatie al dan niet vertrouwelijk is. Deze toezichtuitzondering bestaat als zodanig niet meer onder de Woo, maar uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo blijkt dat de wetgever het belang van het vertrouwelijk kunnen communiceren met toezichthouders onderschrijft en onderstreept dat onder de Woo sprake is van een gelijkwaardige niveau van bescherming als onder de Wob. [10] Documenten die onder de Wob niet openbaar gemaakt zouden worden gelet op de toezichtuitzondering zullen dus op grond van de Woo ook niet openbaar gemaakt mogen worden.
e-mails naar aanleiding van deze verzoeken. Deze documenten geven naar het oordeel van de rechtbank geen inzicht in de toezichtrelatie tussen eiseres en de DNB noch in de strategieën of methoden van toezicht door DNB, waardoor de belangen van eiseres of de werking van het systeem van toezicht in het algemeen kan worden geschaad.
Eiseres volhardt verder in haar standpunt dat de interne afstemming over de beantwoording, deze (concept)beantwoording zelf en de interne verslaglegging van gesprekken met de media onder de uitzonderingsgrond van artikel 5.2 van de Woo vallen, voor zover geen sprake is van feitelijke gegevens. Deze interne afstemming geeft immers blijk van de (persoonlijke) beleidsopvatting van (medewerkers van) DNB dat op de meeste vragen met betrekking tot Bitvavo geen antwoord kan worden gegeven gezien de geheimhoudingsverplichting die op DNB rust, althans het beleid van DNB dat ze geen uitspraken doet over onder toezicht staande instellingen.
Ook staat volgens eiseres buiten kijf dat zij met openbaarmaking van deze documenten onevenredig wordt benadeeld als bedoeld in artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo, nu openbaarmaking raakt aan de vertrouwelijke toezichtrelatie tussen haarzelf en DNB.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten of vergoeding het griffierecht.
mr. L.Z. Achouak el Idrissi, en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden,in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier
.
Algemene wet bestuursrecht (Awb)Artikel 7:6(…)
Wet open overheid (Woo)
5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (…)
d.de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
i.het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. (…)
5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden.
(…).
Artikel 8.8De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.Bijlage bij artikel 8.8 van de WooDe artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden.
- Sanctiewet 1977: de artikelen 10g en 10h (…)
- Wet op het financieel toezicht: artikel 1:42 en Pro afdeling 1.5.1 (…)
- Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme: de artikelen 22 en 23 (…).
Sanctiewet 1977
Wet op het financieel toezicht (Wft)
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die betrokken zijn of zijn geweest bij de vervulling van enige taak ingevolge deze wet, dan wel anderszins de beschikking verkrijgen over gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid.
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)
2.In afwijking van het eerste lid, kan de toezichthoudende autoriteit met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde informatie mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.