ECLI:NL:RBAMS:2025:10542

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
13-271732-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering van een persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel uit Polen met betrekking tot illegale handel in verdovende middelen

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB, uitgevaardigd door de Regionale Rechtbank in Wrocław op 8 augustus 2024, betreft een persoon die verdacht wordt van illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot overlevering behandeld tijdens een zitting op 11 december 2025, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was en werd bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in Polen beoordeeld en geconcludeerd dat, hoewel er een algemeen reëel gevaar bestaat voor schending van de grondrechten van gedetineerden in Polen, de specifieke garanties van de Poolse autoriteiten voldoende zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden. De rechtbank heeft daarom de overlevering toegestaan, omdat er geen weigeringsgronden zijn en het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet.

Uitspraak

RECHTBANK p

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-271732-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 16 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 augustus 2024 door
the Regional Court in Wrocław,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
verblijvende op het adres [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen, die waarneemt voor mr. S. de Goede, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 7 september 2023, uitgevaardigd door
the District Court for Wrocław Śródmieście,met referentie II Kp 710/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Het standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld. Er zijn namelijk alleen huurcontracten overgelegd over de jaren 2020 en 2021, waardoor onduidelijk is waar de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar heeft verbleven. Hoewel de opgeëiste persoon voldoende inkomen heeft verworven, kan uit het aantal gewerkte uren niet worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon de gehele periode in Nederland moet hebben verbleven.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat de opgeëiste persoon zich nooit in Nederland heeft ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Verder is van belang dat uit de Justitiële Documentatie blijkt dat de opgeëiste persoon van 2 december 2019 tot en met 16 februari 2020 gedetineerd heeft gezeten wegens een onherroepelijke veroordeling in een Nederlandse strafzaak. Hierdoor is de zogeheten vijfjaarsperiode als bedoeld in artikel 6, derde lid onder 1, OLW pas (op zijn vroegst) na het einde van de detentie opnieuw gaan lopen. [4] De opgeëiste persoon heeft op de zitting verklaard dat hij na afloop van zijn detentieperiode naar Polen is vertrokken en daarna terug is gekomen naar Nederland. Gelet hierop en op het feit dat de overgelegde huurovereenkomst op 7 september 2020 door de opgeëiste persoon is ondertekend, gaat de rechtbank als begindatum van de vijfjaarsperiode uit van 7 september 2020. De rechtbank overweegt voorts dat zij ambtshalve bekend is met het feit dat werknemers van uitzendbureaus zich niet altijd op de hen toegewezen verblijfsadressen mogen inschrijven. Niettemin is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat voor meerdere jaren geldt dat het aantal gewerkte uren niet zodanig hoog is dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon gedurende die jaren wel in Nederland moet hebben verbleven. Bovendien kan een dergelijk verblijf ook niet worden afgeleid uit de overige stukken die zijn overgelegd. Tot slot ontbreekt informatie waaruit volgt dat de opgeëiste persoon in het jaar 2025 voldoet aan de inkomensvereisten.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aan het eerste vereiste voor gelijkstelling is voldaan. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het tweede vereiste. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

6.Artikel 11 OLW

6.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
6.2
Poolse detentieomstandigheden inremand prisons
De rechtbank heeft eerder geoordeeld [7] dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 24 oktober 2025 de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“1. In which remand prison will [persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much “personal space” (excluding sanitary facilities), as meant in the case law of the European Court of Human Rights (i.a. ECHR 10 March 2015, nos. 14097/12, 45135/12, 73712/12, 34001/13, 44055/13 and 64586/13, Varga et al./Hungary, § 74), will be available to [persoon] in his cell in that prison?
In case [persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4
square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please
answer the following question:
3. Will [persoon] be able to spend at least 2 hours per day outside of his cell?
If the minimum of 2 hours outside a cell cannot be guaranteed, could you please answer the following question as well:
4. Could you provide us with concrete information on how much time (on average per day) the requested person will be able to spend outside of his cell under normal circumstances and when the requested person participates in all activities that are offered in the prison?”
De Poolse autoriteiten hebben deze vragen, voor zover relevant, op 27 oktober 2025 als volgt beantwoord:
“In connection with the received e-mail concerning [de opgeëiste persoon] born on [geboortedag] 1992 in Wałbrzych (Poland), temporarily detained pursuant to the European Arrest Warrant issued by the Regional Court in Wrocław, case no. III Kop 161/24, in proceedings no. 1001-101 Ds.8.2023, I kindly inform you that, in the event of his surrender, the aforementioned person will be placed in the Remand Centre in Wrocław, located at 1 Świebodzka Street.
(…)
Pursuant to Article 110 [Accommodation cells] (…) The cell area per prisoner shall not be less than 3 m². The cell shall be equipped with appropriate furnishings providing each inmate with a separate place to sleep. Adequate hygiene conditions, sufficient air supply, and temperature appropriate to the season, as well as lighting meeting residential standards, shall be ensured.”
In reactie op nadere vragen van het IRC hebben de Poolse autoriteiten, voor zover relevant, op
6 november 2025 nog het volgende medegedeeld:
“In connection with the subsequent e-mail received concerning [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1992 in Wałbrzych (Poland), who is currently temporarily detained under the European Arrest Warrant issued by the Regional Court in Wrocław, case no. III Kop 161/24, in proceedings 1001-101 Ds.8.2023 dated 8 August 2024, I would like to kindly inform you that the concerns of the Amsterdam Court are unfounded, and that each case
should be subject to individual assessment.
From the information provided, it appears that the Amsterdam Court is aware that it is not possible to guarantee that a temporarily detained person will spend at least two hours a day outside the cell, as this depends on various factors.
As already stated in the previous correspondence, such a person is entitled to at least one hour of outdoor exercise and eight hours of rest per day.
The detainee also has the right to participate in cultural and educational activities as well as religious services. Furthermore, while staying in the detention unit, the detainee may take part in common-room activities, use the library, and bathe twice a week. Common-room activities include participation in competitions and the use of recreational equipment. Access to the common room is provided at least twice a week for one hour, with the possibility of additional access depending on availability.
(…)
Moreover, pursuant to Article 221 §1 point 5 of the Executive Penal Code, a temporarily detained person may be granted rewards in the form of permission to participate more frequently in cultural, educational, physical, and sports activities.
To sum up, it is not possible to unequivocally determine the exact number of hours per day a temporarily detained person spends outside the cell. This depends on the detainee’s willingness to take part in cultural, educational, physical, and sports activities, as well as on whether they choose to exercise their right to a daily
one-hour walk.
Under the applicable regulations, a temporarily detained person may also perform maintenance work within the detention facility or take up employment. In such cases, the time spent outside the cell may exceed two hours per day, depending on the detainee’s choice.
The detention conditions of [de opgeëiste persoon] are guaranteed — as I have already informed in my previous letter — by the European Convention on Human Rights, the Charter of Fundamental Rights of the European Union, and, most importantly, the Constitution of the Republic of Poland.”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Poolse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie van 27 oktober en 6 november 2025. [8]
De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Poolse autoriteiten in samenhang gelezen met de door het IRC gestelde vragen, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten omdat de opgeëiste persoon minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte heeft in een meerpersoonscel (exclusief sanitair) en hij niet structureel 23 uur per dag in zijn cel hoeft door te brengen. De detentieomstandigheden staan daarom niet aan overlevering in de weg.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Wrocław,Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2014, ECL:EU:C:2014:13 (Onuekwere)
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311
8.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.