De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 december 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kantongerecht Hildesheim, Duitsland, gericht op de overlevering van een verdachte geboren in Duitsland en zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De verdachte was aanwezig en werd bijgestaan door een advocaat en een Duitse tolk.
Het EAB betreft strafbare feiten die in Duitsland zijn gepleegd en die volgens de Nederlandse Overleveringswet (OLW) onder de lijstfeiten vallen, namelijk illegale handel in verdovende middelen met een strafmaximum van ten minste drie jaar. Hierdoor is een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege gelaten.
De raadsman voerde een evenredigheidsverweer aan, stellende dat de feiten gering waren. De officier van justitie en de rechtbank verwierpen dit verweer, stellende dat de Duitse rechter de proportionaliteit reeds heeft afgewogen bij het uitvaardigen van het EAB en dat het strafmaximum van vijf jaar voldoet aan de vereisten.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering toegestaan moet worden. De uitspraak werd op 31 december 2025 in het openbaar gedaan door de rechtbank Amsterdam.