Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door het Kantongerecht Hildesheim in Duitsland. De zaak werd behandeld in de Internationale Rechtsulpkamer van de rechtbank, waarbij de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, aanwezig was. De opgeëiste persoon, geboren in Duitsland in 1991 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, was gedetineerd en werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg. Tijdens de zitting op 18 december 2025 werd de termijn voor de uitspraak verlengd en werd de gevangenhouding bevolen.
Het EAB was uitgevaardigd op 27 februari 2025 en betrof een aanhoudingsbevel met het oog op voorarrest, met als reden dat de opgeëiste persoon zich schuldig zou hebben gemaakt aan strafbare feiten volgens Duits recht, waaronder illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank oordeelde dat de feiten die in het EAB waren vermeld, ook in Nederland strafbaar zijn en dat er geen onderzoek naar dubbele strafbaarheid nodig was, aangezien de strafmaximum in Duitsland ten minste drie jaren bedraagt.
De raadsman voerde aan dat de overlevering voor geringe feiten werd gevraagd, maar de officier van justitie stelde dat de evenredigheid al was getoetst door de Duitse autoriteiten. De rechtbank concludeerde dat de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB in beginsel was gegeven en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Uiteindelijk besloot de rechtbank dat het EAB voldeed aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden waren, waardoor de overlevering werd toegestaan.