ECLI:NL:RBAMS:2025:10573

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
13-288454-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot criminele organisatie en witwassen

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Rechtbank van Palermo, Italië. De zaak betreft de overlevering van een Nigeriaanse man, geboren in 1994, die wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en witwassen van de opbrengsten daarvan. De behandeling van het EAB begon op 26 november 2025, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was en werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza. Tijdens de zittingen werd de rechtbank geconfronteerd met een verzoek om aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit, wat leidde tot een tussenuitspraak op 4 december 2025. De rechtbank heeft de termijn voor de uitspraak verlengd en het onderzoek geschorst om meer duidelijkheid te krijgen over de feiten en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon.

Op 18 december 2025 werd de behandeling voortgezet, waarbij opnieuw werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon de juiste persoonsgegevens had verstrekt. De rechtbank heeft de argumenten van de raadsman en de officier van justitie tegen elkaar afgewogen. De raadsman stelde dat het EAB niet genoegzaam was, omdat de pleegplaatsen en tijdstippen onduidelijk waren. De officier van justitie betoogde echter dat de informatie voldoende was om het specialiteitsbeginsel te waarborgen. De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden waren voor de overlevering. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, waarbij werd opgemerkt dat de feiten in onderling verband moesten worden bezien en dat de precieze gang van zaken in Italië verder onderzocht zou moeten worden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-288454-24
Datum uitspraak: 24 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 16 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juli 2024 door de Rechtbank van Palermo, Italië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 26 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 4 december 2025 [3]
Bij tussenuitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken om een aanvullende omschrijving van de strafbare feiten te verschaffen met, in ieder geval, informatie over het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten.
Zitting 18 december 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 18 december 2025, in aanwezigheid van
mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza, en door een tolk in de Engelse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 4 december 2025 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Genoegzaamheid

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aanvullende informatie het EAB nog steeds niet genoegzaam is ten aanzien van drie van de vier feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht (
charge1, 8 en 26). Ten aanzien van
charge1 vermeldt de aanvullende informatie dat de verdenking ziet op de periode van 2020
permanently.Nu dit dusdanig breed en onbepaald is, kan het specialiteitsbeginsel niet worden gewaarborgd. Datzelfde geldt ten aanzien van
charge8 en 26 nu de pleegplaatsen daar nog steeds ontbreken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Ten aanzien van feit 1 (
charge1) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit medegedeeld dat het feit continue zou zijn gepleegd vanaf 2020, dus tot op het moment van het uitvaardigen van het EAB. Ten aanzien van feit 2 en 4 (
charge8 en 26) zijn de transacties dermate duidelijk omschreven, dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. Bovendien moeten de feiten in onderling verband met feit 1 worden bezien, waarvoor wel pleegplaatsen zijn genoemd. Ook kan het feit online zijn begaan, wat met zich brengt dat de pleegplaats overal ter wereld kan zijn. Ten slotte betreft het een vervolgings-EAB, waarbij de verdenking nog niet helemaal uitgekristalliseerd hoeft te zijn.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Uit het EAB onder e) en de aanvullende informatie van 5 december 2025 blijkt dat – op basis van een nog lopend onderzoek – de opgeëiste persoon onder
charge1 ervan wordt verdacht deel te hebben genomen aan een criminele organisatie, die zich sinds 2020 continu bezig zou hebben gehouden met computeroplichting en het witwassen van de opbrengsten daarvan in Palermo, Agrigento, Caltanissetta (Italië), Nigeria, Duitsland, Spanje en Letland. De overige feiten,
charge8, 25 en 26, betreffen de witwasfeiten waaraan de opgeëiste persoon zou hebben deelgenomen.
Charge8 zou tussen 11 en 16 november 2020 zijn gepleegd op een onbekende plaats,
charge25 tussen 21 en 24 december 2020 in Palermo en
charge26 op 16 oktober 2021 op een onbekende plaats.
Met bovenstaande informatie is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk waarvoor de overlevering wordt gevraagd en is voldaan aan de hiervoor genoemde eisen, zodat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. Wat betreft
charge1 begrijpt de rechtbank de genoemde pleegperiode zo dat de overlevering wordt gevraagd voor een feit gepleegd in de periode vanaf 2020 tot in ieder geval het moment van uitvaardigen van het EAB. Ten aanzien van het ontbreken van de pleegplaatsen bij
charge8 en 26 overweegt de rechtbank dat deze feiten in onderling verband en samenhang bezien moeten worden met
charge1; deelname aan een criminele organisatie (waarvoor wel pleegplaatsen zijn genoemd). Daarbij komt dat voor
charge8 en 26 de transacties in detail zijn omschreven. Bovendien betreft het een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht, zal later in Italië moeten blijken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
- deelneming aan een criminele organisatie;
- witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van Palermo, Italië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.