ECLI:NL:RBAMS:2025:10704

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/243017-25, 13/174567-25 (zaak B), 13/180970-25 (zaak C), 13/183195-25 (zaak D) en 13/208224-25 (zaak E) (ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstal en overtredingen van een gebiedsverbod met ISD-maatregel

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal en meerdere overtredingen van een gebiedsverbod. De verdachte, geboren in 1996 en momenteel gedetineerd, werd beschuldigd van het stelen van een blik bier van de Jumbo op 29 augustus 2025, en van het niet naleven van een gebiedsverbod op verschillende data in juni en juli 2025. Tijdens de zitting op 5 december 2025 zijn de zaken gevoegd behandeld. De officier van justitie, mr. P. de Haas, heeft de rechtbank verzocht om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, terwijl de verdediging pleitte voor een voorwaardelijke maatregel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven en dat er een hoog recidiverisico bestaat. De rechtbank oordeelde dat er geen reële alternatieven zijn voor de ISD-maatregel en dat de verdachte intensieve behandeling nodig heeft. Uiteindelijk werd de ISD-maatregel voor de duur van twee jaar opgelegd, zonder dat er een straf of maatregel voor de overige feiten werd opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/229933-25 (zaak A), 13/174567-25 (zaak B), 13/180970-25 (zaak C), 13/183195-25 (zaak D) en 13/208224-25 (zaak E) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C, zaak D en zaak E aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. Z. el Wali, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht. Daarnaast zijn [persoon 1] , reclasseringswerker, en [persoon 2] , begeleider bij Leger des Heils Westburgh, als deskundigen gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
zaak A:
diefstal van een blik bier toebehorende aan de Jumbo op 29 augustus 2025;
zaak B:
overtreden van een gebiedsverbod op 7 juni 2025;
zaak C:
overtreden van een gebiedsverbod op 13 juni 2025;
zaak B:
overtreden van een gebiedsverbod op 16 juni 2025;
zaak B:
overtreden van een gebiedsverbod op 8 juli 2025;
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in de
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door de raadsman geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en
omstandigheden vervat in de inhoud van:
ten aanzien van zaak A
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025;
een proces-verbaal van aangifte inclusief fotobijlagen met nummer 250829-2135-476 van 29 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 5 t/m 11 (dig).
ten aanzien van zaak B, zaak C, zaak D en zaak E
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025;
een brief, met bijlagen inzake een verblijfsverbod voor de duur van drie maanden, geldig van 15 april 2025 tot en met 14 juli 2025, opgemaakt door de Directie Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Amsterdam, doorgenummerde pagina’s 19 t/m 24 (dig);
een proces-verbaal van uitreiking met nummer PL1300-2025063763-4 van 10 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 18 (dig.).
ten aanzien van zaak B
1. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2025140208-2 van 8 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 13 t/m 16 (dig.).
ten aanzien van zaak C
1. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2025145709-2 van 13 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , doorgenummerde pagina’s 10 t/m 12 (dig.).
ten aanzien van zaak D
1. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer 250616-1296-103 van 16 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , doorgenummerde pagina’s 7 en 8 (dig.).
ten aanzien van zaak E
1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025169617-5 van 8 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 9] , doorgenummerde pagina’s 5 en 6 (dig.).
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A
op 29 augustus 2025 te Amsterdam, een blik bier, dat aan Jumbo (locatie: [straatnaam] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van zaak B:
op 7 juni 2025 om 23:09 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Zuidoost, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
ten aanzien van zaak C:
op 13 juni 2025 om 20:25 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Zuidoost, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
ten aanzien van zaak D:
op 16 juni 2025 te 14:35 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Zuidoost, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
ten aanzien van zaak E:
op 8 juli 2025 te 21:08 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Zuidoost te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.

5.5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de verdachte
onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders
(ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte nog één laatste kans moet krijgen voordat over wordt gegaan tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Mocht de rechtbank toch een ISD-maatregel opleggen, dan verzoekt de raadsman deze op te leggen voor één jaar.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de
ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet
op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het
onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een
hinderlijk en veelvoorkomend strafbaar feit dat schade en overlast bij de gedupeerde
bedrijven veroorzaakt. Tot slot heeft verdachte zich viermaal schuldig gemaakt aan het niet voldoen aan een verblijfsverbod van 3 maanden.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 29 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker
is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 28 november 2025, opgemaakt door [persoon 1] . Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:
Verdachte komt vanaf 24-jarige leeftijd meermaals in beeld bij justitie. Er is sprake
van een delictpatroon van het verstoren van de openbare ruimte en het plegen van
vermogensdelicten. Er lijkt een sterke samenhang te bestaan tussen het delictgedrag van verdachte en haar middelengebruik. Daarnaast wordt ook het psychosociaal functioneren van verdachte als delictgerelateerd gezien. Er is bij verdachte sprake van depressieve klachten, een posttraumatische stressstoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze laatste lijkt onder meer te leiden tot impulsief gedrag. Ook op andere leefgebieden worden er problemen gezien, zo heeft verdachte schulden, ontbreekt het aan passende huisvesting en heeft ze geen steunend sociaal netwerk. In de afgelopen jaren is er middels verslavingsbehandeling, woonbegeleiding en reclasseringstoezichten gepoogd om verdachte te ondersteunen in onder meer het abstinent raken van middelen. Het volgen van behandeling voor haar verslavingen en psychiatrische problematiek is volgens de reclassering noodzakelijk voor het toewerken naar een delictvrij bestaan. Hoewel verdachte vaak zegt gemotiveerd te zijn voor gedragsverandering, lukt het haar niet dit te bestendigen. Er zijn geen twijfels over haar intenties, maar het is haar vaak niet gelukt om zich aan afspraken van behandeling en begeleiding te houden. In de periode van de tenlastelegging kwam er zicht op passende huisvesting en financiële stabiliteit, echter ook dit vooruitzicht wist niet te voorkomen dat verdachte met justitie in aanraking kwam. De reclassering ziet nog altijd hoge risico’s op recidive. Er worden op dit moment geen mogelijkheden gezien voor reclasseringsbemoeienis.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Zij zien hoge risico’s op recidive en geen mogelijkheden om deze met een ander kader dan de genoemde maatregel te beïnvloeden. Verdachte heeft van 2022 tot mei 2025 tweemaal onder toezicht van de reclassering gestaan, echter zijn beide toezichten voortijdig negatief beëindigd vanwege het niet houden aan bijzondere voorwaarden. Hoewel verdachte nu en ook in de afgelopen jaren laat weten gemotiveerd te zijn voor het abstinent raken van middelen en voor behandeling hierbij, is het onvoldoende gelukt om te werken aan gedragsverandering. Dit ondanks intensieve inzet van de reclassering, verslavingszorg, bemoeizorg en woonbegeleiding. De reclassering heeft overwogen om een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijke ISD-maatregel met als bijzondere voorwaarde een langdurige klinische opname te adviseren, echter zien zij hier geen mogelijkheden voor. Verdachte heeft in de afgelopen jaren veelvuldig laten zien zich niet aan afspraken te houden, ook niet wanneer dit was opgelegd in een strafrechtelijk kader. Ook voor een klinische behandeling is het noodzakelijk dat iemand motivatie weet te behouden en zich aan afspraken conformeert.
De deskundige, [persoon 1] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en daar toegelicht.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het in zaak A bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD maatregel stelt. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is zij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door haar begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis
bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De
rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde rapport en de daarop ter
terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige, dat er geen reële alternatieven
voorhanden zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van verdachte te
behandelen. Daarnaast moet er op basis van het reclasseringsadvies ernstig rekening mee
worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid
van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van
het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de ISD-maatregel
voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk moet worden opgelegd. Met de officier van
justitie, de deskundige en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte
langdurig intensieve behandeling nodig heeft om te voorkomen dat zij in de toekomst weer
strafbare feiten pleegt. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen, zoals de raadsman heeft verzocht. Alhoewel de rechtbank niet twijfelt aan de motivatie van verdachte om in een ambulant kader te werken aan haar problematiek, sluit de rechtbank zich aan bij het oordeel van de deskundige dat zij daar op dit moment – gelet op haar persoonlijke omstandigheden, waaronder haar woonplek – niet toe in staat is. Daarom en vanwege het falen van eerdere ambulante trajecten, worden er geen mogelijkheden gezien voor interventies binnen een ambulant kader om gedragsverandering bij verdachte te kunnen bewerkstelligen. Verdachte heeft meer structuur nodig om aan haar problematiek te werken. Daarnaast is er onvoldoende sprake van een concreet plan om verdachte te ondersteunen en is hierdoor geen sprake van een alternatief. De rechtbank erkent de motivatie van verdachte en de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt, maar acht het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel geen reëel alternatief om verdachte te bewegen tot gedragsverandering.
Maximale termijn van twee jaren
De raadsman heeft subsidiair verzocht de ISD-maatregel voor de duur van hooguit één jaar op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van haar problematiek alle kansen te geven, en zodat de recidive van de verdachte wordt ingeperkt ter optimale bescherming van de maatschappij.
Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De problematiek van verdachte is op dit moment te complex om te kunnen volstaan met de maatregel voor de duur van één jaar. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het van belang is dat verdachte binnen het kader van de ISD-maatregel nog geruime tijd kan worden begeleid tijdens een extramurale fase.
Geen straf of maatregel
De rechtbank acht het niet opportuun om naast de ISD-maatregel voor de bewezenverklaarde feiten in zaak B, zaak C, zaak D en zaak E, waarvoor verdachte strafbaar is, een straf of maatregel aan verdachte op te leggen. De rechtbank zal daarom voor deze feiten toepassing geven aan artikel 9a Sr.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
diefstal;
ten aanzien van zaak B, zaak C, zaak D en zaak E:
telkens: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt ter zake van zaak A de op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van twee jaar.
Bepaalt dat ter zake van zaak B, zaak C, zaak D en zaak E geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en J.C.E. Krikke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2025.
[…]