6.3.Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich zeer agressief gedragen naar een aantal ambtenaren. Door het uiten van bedreigende woorden heeft hij een voor hen intimiderende en angstige situatie geschapen. Door zo te handelen heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor deze ambtenaren als personen maar ook voor het werk dat zij deden in het uitoefenen van hun functie. Niet alleen kunnen bedreigingen voor de desbetreffende ambtenaren ingrijpende gevolgen hebben voor hun werkplezier en functioneren, tevens kunnen onrust en gevoelens van onveiligheid bij deze ambtenaren en binnen de samenleving in het algemeen hierdoor worden versterkt. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Verdachte heeft daarmee de verbalisanten in hun taakuitoefening gedwarsboomd waardoor bij een van hen letsel is ontstaan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 2 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker
onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De rechtbank weegt dit in
strafverzwarende zin mee.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 18 november 2025, opgemaakt door [deskundige] . Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:
Verdachte kent een lange geschiedenis van veroordelingen en politiemeldingen. Er is een
delictpatroon ten aanzien van het plegen van vermogensdelicten (oplichting en fraude) en het plegen van geweldsdelicten tegen beroepsbeoefenaars. In 2019 werd de onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte opgelegd, deze liep van 20 november 2019 tot en met 2 december 2021. Inmiddels voldoet verdachte opnieuw aan de criteria van de ISD-maatregel.
Verdachte kent problemen op alle leefgebieden en er worden geen beschermende factoren gezien. Verdachte beschikt niet over huisvesting, dagbesteding of een inkomen. Er is sprake van schuldenproblematiek, verslavingsproblematiek en er zijn aanwijzingen voor psychiatrische problematiek. Verdachte is niet bekend bij de hulpverlening, hij wordt gezien als een zogenoemde zorgmijder. De ISD-maatregel uit 2019/2021 heeft verdachte volledig intramuraal doorlopen, hij wenste niet mee te werken aan diagnostiek, behandeling of begeleiding.
Aan reclasseringstrajecten heeft verdachte in het verleden niet mee willen werken. Voor onderhavig rapport heeft de verdachte zijn medewerking getoond door in gesprek te gaan met de reclassering. Ondanks dat verdachte aangeeft dat hij openstaat voor hulp, wordt er geen intrinsieke motivatie gezien voor gedragsverandering. Verdachte staat niet open voor diagnostiek, (verslavings)behandeling of begeleiding. Het lukt verdachte niet om hulpvragen te formuleren, ook niet als hij hierin gestuurd wordt tijdens het adviesgesprek met extra open vragen.
Verdachte laat de neiging zien om vragen met vragen te beantwoorden, zijn situatie en problemen te bagatelliseren en de oorzaak van de problemen buiten zichzelf te leggen. De motivatie van verdachte om mee te werken aan een adviesgesprek met de reclassering is volgens Reclassering Inforsa voornamelijk gericht op de optie van een schorsing preventieve hechtenis.
Reclassering Inforsa acht de inzet van diagnostiek, behandeling, dagbesteding, begeleid wonen en financiële hulp geïndiceerd om te komen tot verlaging van het hoge recidive risico. Echter door de afwijzende houding van verdachte naar de reclassering en hulpverlening, het ontbreken van intrinsieke motivatie en probleembesef, achten zij een reclasseringskader met bijzondere voorwaarden niet uitvoerbaar.
De deskundige, [deskundige] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting
bevestigd en toegelicht.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis
bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De
rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige, dat er geen reële alternatieven
zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van verdachte te
behandelen. Eerder opgelegde drangkaders zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico in te perken en om tot gedragsverandering te komen en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
Maximale termijn van twee jaren
De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, en zodat de recidive van de verdachte wordt ingeperkt ter optimale bescherming van de maatschappij.
Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
7. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 400,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden
toegewezen. De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subisidiar heeft zij verzocht het bedrag te matigen.