6.3.Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich zeer agressief gedragen naar een aantal ambtenaren. Door het uiten van bedreigende woorden heeft hij een voor hen intimiderende en angstige situatie geschapen. Door zo te handelen heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor deze ambtenaren als personen maar ook voor het werk dat zij deden in het uitoefenen van hun functie. Niet alleen kunnen bedreigingen voor de desbetreffende ambtenaren ingrijpende gevolgen hebben voor hun werkplezier en functioneren, tevens kunnen onrust en gevoelens van onveiligheid bij deze ambtenaren en binnen de samenleving in het algemeen hierdoor worden versterkt. Daarnaast heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan belediging van ambtenaren in functie. Door deze beledigingen te uiten in het openbaar, zijn de betrokken ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Verdachte heeft hiermee nogmaals getoond geen respect te hebben voor ambtenaren. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het niet voldoen aan een verblijfsverbod van 3 maanden.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 27 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker
onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De rechtbank weegt dit in
strafverzwarende zin mee.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 27 november 2025, opgemaakt door [deskundige 2] . Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:
Verdachte is de afgelopen periode veelvuldig met justitie in aanraking geweest, voornamelijk wegens vermogensdelicten en bedreiging of belediging van een beroepsbeoefenaar. Verdachte bevindt zich in een uiterst instabiele leefsituatie. Hij is recent dakloos geraakt, heeft geen werk, heeft aanzienlijke schulden en lijkt te beschikken over een beperkt steunend netwerk. Daarnaast is sprake van overmatig alcoholgebruik. Hoewel verdachte dit erkent, is hij van mening dat het gebrek aan een huis het grootste probleem is momenteel. De afgelopen jaren heeft verdachte hulpverlening structureel gemeden, waaronder het wijkteam en zijn bewindvoerder. Ook eerdere reclasseringstoezichten zijn niet van de grond gekomen doordat hij geen contact onderhield. Hierdoor bestaat er al geruime tijd geen zicht op zijn situatie. Gelet op de vele inspanningen die al zijn verricht en het feit dat verdachte er niet in slaagt om zelfstandig tot verandering te komen, acht de reclassering een vrijwillig kader onvoldoende toereikend. De reclassering meent dat met de onvoorwaardelijke ISD-maatregel het meest passende en kansrijke traject kan worden geboden om te werken aan het stabiliseren van de leefsituatie en het behandelen van het overmatige alcoholgebruik. Binnen dit kader kunnen diagnostiek, een plan van aanpak, een (klinische) behandeling en/of een begeleid woontraject worden gerealiseerd. De onvoorwaardelijke ISD-maatregel biedt daarmee voor verdachte de beste kans op stabilisatie en duurzame gedragsverandering.
Indien verdachte niet meewerkt aan behandeling dan wel begeleiding binnen de ISD-maatregel, dan heeft de ISD-maatregel de functie van het tijdelijk beveiligen van de samenleving.
De reclassering heeft overwogen om een voorwaardelijk kader of voorwaardelijke ISD-kader met een langdurige klinische opname te adviseren en heeft hier ook onderzoek naar gedaan. Na onderzoek en intercollegiaal overleg zijn zij echter tot de conclusie gekomen dat een voorwaardelijk kader onvoldoende toereikend is. Omdat verdachte kan besluiten om de kliniek te verlaten zonder dat daar een directe (voelbare) consequentie aan verbonden is, zoals bij de ISD-maatregel wel het geval is (terugplaatsing in de PI), vinden zij een dergelijk kader ontoereikend om verdachte te stabiliseren in zijn leefomstandigheden, de psychosociale- en middelenproblematiek aan te pakken en de kans op recidive terug te dringen. Daarnaast kan er, door het ontbreken van diagnostiek, nog geen zekerheid worden verschaft of de klinische opname daadwerkelijk langdurig zal zijn. Er zal eerst een diagnostiekopname van drie tot zes maanden plaatsvinden, waarna afhankelijk van de uitkomsten een plan van aanpak wordt opgesteld waaronder eventueel een langdurige klinische opname.
De deskundige, [deskundige 1] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting
bevestigd.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het in zaak A onder 3 bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis
bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De
rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige, dat er geen reële alternatieven
zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van verdachte te
behandelen. Eerder opgelegde drangkaders zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico in te perken en om tot gedragsverandering te komen en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de ISD-maatregel voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk moet worden opgelegd. Vanwege het hoge risico op recidive en de grote kans op het onttrekken aan voorwaarden, acht de rechtbank een voorwaardelijke ISD-maatregel niet haalbaar. Door aan verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, kan verdachte stabiliseren in zijn leefomstandigheden, kan de psychosociale- en middelenproblematiek van verdachte worden aangepakt en de kans op recidive worden teruggedrongen. De rechtbank acht het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel geen reëel alternatief om verdachte te bewegen tot gedragsverandering. Daarnaast wordt de maatschappij door oplegging van de ISD-maatregel beschermd tegen de delicten die verdachte pleegt.
Maximale termijn van twee jaren
De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, en zodat de recidive van de verdachte wordt ingeperkt ter optimale bescherming van de maatschappij.
Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De problematiek van verdachte is op dit moment te complex om te kunnen volstaan met de maatregel voor de duur van één jaar. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het van belang is dat verdachte binnen het kader van de ISD-maatregel nog geruime tijd kan worden begeleid tijdens een extramurale fase.
Geen straf of maatregel
De rechtbank acht het niet opportuun om naast de ISD-maatregel voor de bewezenverklaarde feiten in zaak A onder 2, zaak B en zaak C, waarvoor verdachte strafbaar is, een straf of maatregel aan verdachte op te leggen. De rechtbank zal daarom voor deze feiten toepassing geven aan artikel 9a Sr.