ECLI:NL:RBAMS:2025:10715

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/13/777211 / HA RK 25-363
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 SvArt. 515 lid 5 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris wegens gebrek aan vooringenomenheid

Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris vanwege het beletten van een vraag tijdens een getuigenverhoor en vermeende vooringenomenheid. De advocaat van verzoeker stelde dat de rechter de schijn van vooringenomenheid wekte door het verbod op het stellen van bepaalde vragen en door opmerkingen over de kwetsbaarheid van de getuige.

De rechter-commissaris gaf aan dat het verbod op de vraag was gebaseerd op irrelevantie en bescherming van de privacy van de getuige, die bang was voor verzoeker. Ook werd toegelicht dat het vooraf laten zien van de verhoorruimte aan de getuige een gebruikelijke maatregel is bij kwetsbare getuigen. De wrakingskamer overwoog dat het beletten van een vraag een rechterlijke beslissing is die nooit een wrakingsgrond kan zijn, tenzij sprake is van duidelijke vooringenomenheid.

De wrakingskamer concludeerde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden, waaronder de opmerkingen van de rechter en de procedurele gang van zaken, niet voldoen aan de hoge drempel voor het aannemen van vooringenomenheid. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing van 18 december 2025 op het op 16 oktober 2025 gedane en onder zaaknummer C/13/777211 HA RK 25/363 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. E.J. van Gils,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. E. Slager, rechter-commissaris, hierna de rechter.
Verloop van de procedure
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van een proces-verbaal van de zitting van 16 oktober 2025 in de zaak waarin verzoeker als verdachte is aangemerkt (parketnummer [parketnummer] ). In het proces-verbaal is het verzoek tot wraking opgenomen. Dit verzoek is behandeld ter zitting van de wrakingskamer van
4 december 2025. Verschenen zijn – voor zover van belang – verzoeker, zijn advocaat en de rechter. De rechter heeft een schriftelijke reactie met bijlagen ingediend en de advocaat van verzoeker een pleitnota. Voor verzoeker was een tolk Urdu geregeld, maar die kon niet op tijd op de zitting aanwezig zijn. Met instemming van verzoeker en zijn advocaat heeft de zitting toch doorgang gevonden (gedeeltelijk in het Engels).

1.De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.
a. a) Verzoeker is verdachte in een strafzaak met parketnummer [parketnummer] .
Op 16 oktober 2022 heeft de rechter in de zaak van verzoeker een getuige gehoord. Hierbij was onder meer de advocaat van verzoeker aanwezig. Van dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt. Hierin staan de volgende inleidende opmerkingen:
Voorafgaand aan het verhoor heeft de rechter-commissaris aan de getuige en haar advocaat gevraagd of zij het op prijs stellen om de verhoorruimte alvast te zien, dit mede in verband met de jonge leeftijd van de getuige. De getuige wilde dit graag. De rechter-commissaris heeft de getuige en haar advocaat alvast laten plaatsnemen in de verhoorruimte en zichzelf en de griffier voorgesteld. De getuige is zichtbaar gespannen.
De rechter-commissaris haalt de raadsman en de officier van justitie op en heet iedereen welkom. De rechter-commissaris stelt alle aanwezigen voor en geeft aan dat dit verhoor plaatsvindt op initiatief van de advocaat van de heer [verzoeker] . De rechter-commissaris licht toe dat zowel hij als de rechter-commissaris en de officier van justitie vragen aan de getuige kunnen stellen. Dit kunnen mogelijk kritische vragen zijn die lastig zijn voor de getuige, maar de vragen dienen in ieder geval respectvol zijn en relevant voor de strafzaak tegen de heer [verzoeker] .
b) Verder is in het proces-verbaal onder meer het volgende opgenomen:
Opmerking rechter-commissaris: u geeft zojuist een vrij lange inleiding maar ik hoor u geen vraag stellen.
Opmerking raadsman: oh, gaan we zo beginnen? Als u zo gaat doen, dan weet u wat ik kan doen.
Opmerking rechter-commissaris: als u een uitvoerige inleiding geeft, dan moeten we dat allemaal zakelijk verwerken in het proces-verbaal. Ik heb u tot dusver geen vraag horen stellen.
(…)Wie heeft die pikante foto ‘s gemaakt?
Opmerking rechter-commissaris: het beantwoorden van dit soort vragen belet ik. Deze vragen zijn privé en niet van belang voor de beantwoording van de vragen 348 en 350 Sv in relatie tot de strafzaak van de heer [verzoeker] . Bovendien vind ik het relevant om te voorkomen dat de getuige na dit verhoor meer beschadigd is dan zij nu al is.
Opmerking raadsman: dan bent u nu gewraakt. U bent wat mij betreft vooringenomen, althans u wekt de schijn van vooringenomenheid door een vraag te beletten die mijns inziens alle belang heeft om gesteld te worden in verband met hetgeen cliënt van verdacht wordt, zoals het vragen naar pikante foto ‘s van mevrouw voor geld of andere redenen, terwijl hij mogelijk toegang had tot een account waar al pikante foto ‘s op staan. Bovendien zijn op de apparaten van cliënt foto ‘s gevonden en ik vraag mij af of deze naar hem zijn toegezonden of dat dat niet het geval kan zijn. Het heeft alle belang, temeer omdat er nog iets speelt met de ex van getuige die in Amerika woont en mogelijk opnamen heeft of heeft ontvangen die mogelijk ook op een of andere wijze zijn verspreid en zo terecht zijn gekomen op telefoons. Ik vind dat ik die vragen mag stellen en het op voorhand beletten, ook gezien de hele aanloop naar dit verhoor, maakt dat ik vind dat u de schijn van vooringenomenheid heeft of vooringenomen bent. Ik vind dat ik wegens artikel 6 EVRM Pro deze vragen mag stellen. Ik kan mijn ondervragingsrecht niet uitoefenen. Het is nodig in deze zaak.
Opmerking rechter-commissaris: wat bedoelt u met ‘gezien de hele aanloop naar dit
verhoor’?
Opmerking raadsman: met de hele aanloop van te voren bedoel ik dat u de getuige eerder meeneemt naar de verhoorkamer en van te voren al aangeeft dat het respectvol moeten lopen en bij mijn eerste vraag mij lastigviel met dat daar nog geen vraag in zit en dat het een overweging lijkt, terwijl het naar mijn inziens uitleg nodig heeft waarom ik die vraag stelde en dat ik het standpunt van de officier van justitie over mijn ingediende getuigenverzoeken nooit van u heb ontvangen.

2. De gronden van het verzoek

2.1
Voor de gronden van het verzoek wordt verwezen naar de hiervoor geciteerde passages in het proces-verbaal. Samengevat komen die gronden erop neer dat de rechter de advocaat van verzoeker heeft belet een vraag te stellen. Ook is als wrakingsgrond ‘de aanloop naar het verhoor’ genoemd, te weten dat de getuige eerder is meegenomen naar de verhoorkamer, dat de rechter heeft gezegd dat de vragen ‘respectvol’ moeten zijn en dat de advocaat alvorens zijn eerste vraag te stellen aan de getuige, dit niet heeft mogen inleiden. Ook valt hieronder dat de rechter het standpunt van de officier van justitie over de door verzoeker ingediende getuigenverzoeken nooit van de rechter heeft ontvangen.
2.2
Ter zitting van de wrakingskamer heeft de advocaat van verzoeker verklaard dat hij het eens is met de inhoud van het proces-verbaal. Verder heeft hij als wrakingsgrond genoemd dat de rechter heeft gezegd dat zij wil voorkomen dat de getuige na het verhoor meer beschadigd raakt dan zij nu al is. Dit impliceert dat de rechter vond dat de getuige al beschadigd is. Dit betekent dat de rechter al een oordeel had en dus vooringenomen was.
2.3
In de pleitnota heeft de advocaat van verzoeker nog het volgende toegevoegd. Dat de rechter bij aanvang heeft gezegd dat de vragen respectvol moeten zijn is stemming makend en een motie van wantrouwen. De maat was vol toen de advocaat van verzoeker werd belet een vraag te stellen. Dit is een onwelgevallige en een onbegrijpelijke beslissing. Verzoeker realiseert zich dat dit op zich niet tot wraking kan leiden, maar in dit geval zei de rechter ook nog dat de getuige niet meer beschadigd mocht raken. Dit is een zwaarwegende aanwijzing dat de rechter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert.

3.3. De reactie van de rechter

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zij heeft de advocaat belet een vraag te stellen omdat die vraag niet relevant was voor beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Vragen als deze maken een grote inbreuk op de privacy van de getuige en bovendien is de rechter (onder meer uit het dossier) gebleken dat de getuige heel bang is voor verzoeker. Bij het tonen van de verhoorkamer voorafgaand aan het verhoor, wat vaker gebeurt bij minderjarige of kwetsbare getuigen, is niet inhoudelijk over de zaak gesproken. Dat de rechter bij aanvang van het verhoor heeft gezegd dat de vragen respectvol moeten zijn, valt onder haar rol om erop toe te zien dat alles goed verloopt. Dat zij de advocaat van verzoeker bij het begin van het verhoor heeft onderbroken, was omdat hij een lange inleiding hield en dit verwarrend was voor de getuige. Het valt niet onder de verantwoordelijkheid van de rechter of de griffier om te controleren of de officier van justitie het standpunt van het Openbaar Ministerie over de onderzoekswensen naar de advocaat van de verdachte stuurt.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1
Op grond van artikel 512 Sv Pro kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.2
Dat de rechter de advocaat van verzoeker heeft belet een vraag te stellen, vormde de directe aanleiding voor de wraking. Het beletten van een vraag is echter een rechterlijke beslissing, die nooit grond kan zijn voor wraking. In het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) is immers geoordeeld dat een rechterlijke beslissing nooit een grond voor wraking kan opleveren. Met
betrekking tot de motivering van een rechterlijke beslissing geldt hetzelfde, ook als het gaat om een onjuiste, onbegrijpelijke, gebrekkige of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
4.3
De overige feiten en omstandigheden die door verzoeker zijn aangevoerd, moeten – naar de wrakingskamer begrijpt – volgens verzoeker tezamen genomen desalniettemin tot wraking van de rechter leiden. De wrakingskamer volgt verzoeker hierin niet. De opmerking van de rechter dat de getuige niet verder beschadigd mag raken dan zij al is, is niet eerder dan bij de behandeling van het verzoek, en dus te laat (artikel 513 Sv Pro), als wrakingsgrond naar voren gebracht. Voorts betreft dit echter een motivering van een beslissing die in redelijkheid niet gezien kan worden als een blijk van vooringenomenheid jegens verzoeker.
4.4
Ook de overige aangevoerde omstandigheden, te weten het van tevoren meenemen van de aangeefster naar de verhoorkamer, de opmerking dat de vragen respectvol moeten zijn, het onderbreken van de advocaat van verzoeker tijdens zijn inleiding en het niet doorsturen van de reactie van de officier van justitie op de onderzoekswensen, zijn, mede bezien in het licht van de toelichting daarop van de rechter, niet zodanig dat de hoge drempel voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid wordt gehaald.
4.4
De conclusie is daarom dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
BESLISSING
De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het wrakingsverzoek af.
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. B. Vogel en
mr. R.H. Mulderije, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv Pro geen voorziening open.