ECLI:NL:RBAMS:2025:10752

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-186523-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot een strafbaar feit van twintig jaar geleden

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door het Amtsgericht Bielefeld, Duitsland. De zaak betreft een verdenking van een strafbaar feit dat twintig jaar geleden zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot overlevering beoordeeld en vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de Overleveringswet (OLW). De opgeëiste persoon, geboren in Turkije en thans gedetineerd in Nederland, heeft de Nederlandse nationaliteit en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. O. Saki. Tijdens de zitting op 10 december 2025 heeft de rechtbank de termijn voor uitspraak verlengd en het onderzoek heropend om aanvullende informatie te verwerken. De raadsvrouw heeft betoogd dat het EAB onvoldoende concrete informatie bevatte en dat de overlevering geweigerd moest worden. De officier van justitie daarentegen stelde dat het EAB genoegzaam was en dat de beschrijving van de feiten voldoende duidelijk was. De rechtbank heeft geoordeeld dat de pleegplaats, pleegdatum en betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende waren omschreven, en dat de lange tijdsduur tussen de feiten en de vervolging geen belemmering vormde voor de overlevering. De rechtbank heeft ook de garantie van de Duitse autoriteiten beoordeeld en vastgesteld dat deze voldoende was. Uiteindelijk heeft de rechtbank de overlevering toegestaan, omdat er geen weigeringsgronden waren die aan de overlevering in de weg stonden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-186523-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 20 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 juni 2025 door het ‘
Amtsgericht’ Bielefeld, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1976,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. O. Saki, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Turkse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 24 december 2025 – met toestemming van partijen enkelvoudig – heropend, zodat de e-mailwisseling tussen de advocaat en de rechtbank met betrekking tot het beroep op de terugkeergarantie na sluiting van het onderzoek op 10 december 2025 aan het dossier kon worden toegevoegd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens – met toestemming van partijen enkelvoudig – gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrestatiebevel uitgevaardigd door het '
Amtsgericht'Bielefeld van 19.07.2005 met dossiernummer: 9 Gs 3097/05.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB onvoldoende concrete informatie bevat om te voldoen aan de eisen van artikel 2 OLW. De feitelijke onderbouwing van de verdenking, door middel van bewijsmateriaal, is uiterst beperkt en dateert daarbij van twintig jaar geleden. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB genoegzaam is. De pleegplaats, pleegdatum en de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd zijn helder omschreven. Gelet hierop is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Daarnaast vereist artikel 2 OLW niet dat er bewijsmiddelen worden opgenomen in het EAB.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de pleegplaats, pleegdatum en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende duidelijk zijn omschreven in het EAB. De omstandigheid dat de verdenking van twintig jaar geleden dateert, maakt de toets van artikel 2 OLW niet anders. De rechtbank verwerpt het verweer en ziet geen aanleiding om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.

4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw verzoekt om de overlevering, mocht de rechtbank die toestaan, uitsluitend toe te staan voor het lijstfeit “
moord en doodslag, zware mishandeling”en niet voor, als lijstfeit aangekruiste, “
opzettelijke brandstichting”.Uit de feitenomschrijving volgt namelijk op geen enkele manier dat sprake is van brandstichting.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het lijstfeit “
moord en doodslag, zware mishandeling” in redelijkheid is aangekruist. De officier ziet de aankruising van “
opzettelijke brandstichting” als een kennelijke verschrijving omdat uit de feitenomschrijving in het EAB niet blijkt dat er ook sprake is geweest van brandstichting.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling;
opzettelijke brandstichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [4]
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de aankruising van het lijstfeit “
opzettelijke brandstichting” vermoedelijk op een vergissing berust, omdat de feitomschrijving geen enkel aanknopingspunt biedt voor een dergelijke kwalificatie. Wat daar ook van zij, de rechtbank ziet geen aanleiding om hieromtrent iets op te nemen in het dictum. In geval van het toestaan van de overlevering zal deze immers worden toegestaan voor het feit zoals dat is omschreven onder onderdeel e) van het EAB en niet voor de door de uitvaardigende justitiële autoriteit aangekruiste lijstfeiten.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [5]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Staatsanwaltvan het
Staatsanwaltschaft Bielefeld, Duitsland, heeft op 13 november 2025 de volgende garantie gegeven:
"I can guarantee that, in case the wanted person [opgeëiste persoon] after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Germany, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ); please mention that I can only guarantee that, if [opgeëiste persoon] consents to that."
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat artikel 11 OLW aan overlevering in de weg staat omdat er een reëel risico bestaat op schending van artikel 6 EVRM (en, zo begrijpt de rechtbank: artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)): het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn. Het lange tijdsverloop tussen de feiten en de uiteindelijke vervolging, het ontbreken van enig vervolgingsbelang, de uitvaardiging van het EAB vlak voordat de Duitse verjaringstermijn zal verlopen en de reële mogelijkheid dat de opgeëiste persoon vanwege het tijdsverloop geen effectieve verdedigingshandelingen kan uitvoeren in Duitsland, maakt dat de weigeringsgrond van artikel 11 OLW van toepassing is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat, omdat zich geen schending van artikel 6 EVRM voordoet. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat Duitsland de mensenrechten respecteert en daarbij het recht op een eerlijk proces niet zal schenden. Dat het hier gaat om een oud feit, betekent niet dat het recht op een eerlijk proces zal worden geschonden.
Oordeel van de rechtbank
De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurig en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een algemeen reëel gevaar zou volgen van schending van het in artikel 47 Handvest bedoelde grondrecht op een eerlijke en openbare behandeling, binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, zodat het verweer reeds om die reden niet slaagt. De rechtbank beschikt ook overigens niet over gegevens, waaruit een dergelijk algemeen reëel gevaar op de schending van grondrechten zou volgen. Dat het hier gaat om een feit uit 2005 maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen en verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het ‘
Amtsgericht’ Bielefeld, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (