ECLI:NL:RBAMS:2025:10757

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-221479-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om aanvullende toestemming voor uitbreiding van de vervolging in het kader van de Overleveringswet met betrekking tot detentieomstandigheden in Polen

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om aanvullende toestemming voor uitbreiding van de vervolging, ingediend door de officier van justitie. Dit verzoek was gebaseerd op artikel 14 van de Overleveringswet en betrof een overgeleverde persoon die in Polen gedetineerd is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de detentieomstandigheden in de Poolse remand prison niet voldoen aan de vereisten van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name vanwege de beperkte persoonlijke leefruimte en het gebrek aan gegarandeerde tijd buiten de cel. De rechtbank heeft geoordeeld dat de overgeleverde persoon niet voldoende mogelijkheden heeft gehad om zijn bezwaren kenbaar te maken, en dat er een reëel gevaar bestaat voor schending van zijn grondrechten. Daarom heeft de rechtbank het verzoek om toestemming voor uitbreiding van de vervolging afgewezen. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer, waarbij de rechters de omstandigheden in de detentie-instelling hebben gewogen en geconcludeerd dat de informatie over de detentieomstandigheden onvoldoende was om een positieve beslissing te rechtvaardigen. De rechtbank heeft aangegeven dat bij gewijzigde omstandigheden een nieuw verzoek kan worden ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-221479-24
Datum beslissing: 10 december 2025
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 10 april 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door de
Sąd Okręgowy w Szczecinie(Regionale Rechtbank in Szczecin), Polen, op 26 april 2024 en betreft:
[de overgeleverde persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] (Polen),
thans gedetineerd in [land] ,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn ontoereikend om – met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon – een beslissing te nemen.
Hoorrecht
Vereist is dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 26 oktober 2021. [1]
Bij de stukken zit een proces-verbaal van een verhoor van de overgeleverde persoon door een rechter van de
District Court in Gryfinoop 27 januari 2025. Daaruit blijkt dat de overgeleverde persoon door de uitvaardigende justitiële autoriteit is geïnstrueerd over artikel 607e van het Poolse Wetboek van Strafvordering, dat ziet op het specialiteitsbeginsel en op de toestemming die moet worden gevraagd aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit wanneer geen afstand van het specialiteitsbeginsel wordt gedaan. Uit dit proces-verbaal blijkt verder dat de overgeleverde persoon geen afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter vervolgens aan de overgeleverde persoon heeft gevraagd of hij verzoeken, bezwaren of opmerkingen had, waarop de overgeleverde persoon met ‘nee’ heeft geantwoord.
De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat de overgeleverde persoon voldoende de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 26 oktober 2021.
Detentieomstandigheden voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft ten aanzien van de detentieomstandigheden in het Poolse voorlopige hechtenis-regime een algemeen reëel gevaar van schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) aangenomen. Het kernpunt hierbij is dat voorlopig gedetineerden slechts 3 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitair) krijgen in een meerpersoonscel, terwijl zij veelal 23 uren per dag op hun cel doorbrengen. Door het IRC zijn daarom aan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen gesteld over de omstandigheden in de detentie-instelling waar de overgeleverde persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in haar brief van 24 juli 2025 verwezen naar een bijgevoegde brief van 30 juni 2025
van de Regional Director
of the Prison Service in Koszalinwaarin onder andere het volgende is opgenomen:
“[..] In case of application of the provisional arrest by the West Pomeranian Non-Local Division of the Department of Organized Crime and Corruption of the National Public Prosecutor’s Office in Szczecin [Zachodniopomorski Wydział Zamiejscowy Departamentu do Spraw Przestępezości Zorganizowanej I Korupcji Prokuratury Krajowej w Szczecinie] the appropriate penitentiary unit in accordance with the currently fixed regionalization of jailing is the Remand Centre in Szczecin [Areszt Śledczy w Szczecinie].[..]
The currently binding standard of surface has been contained in art. 110 §2 of the Executive Criminal Code in accordance with which the surface of a residential cell falling on one sentenced person amounts to not less than 3 m2. [..]
Each prisoner, apart from the right to the everyday one-hour walk, has the possibility of availing himself of the accessible offer of activities organized in the penitentiary unit. According to § 3 of the Order 103/24 of the General Director of the Prison Service of the 27th December 2024 […] in each penitentiary establishment the penitentiary treatments are conducted, especially by providing the sentenced person with work, teaching, cultural-educational and sports activities, therapy, social rehabilitation programmes. The offer of the organized activities, the time of
their duration as well as their frequency is differentiated and dependent on the specificity of the given penitentiary unit as well on the status |(provisionally arrested/sentenced person) and the classification of the person deprived of freedom. According to § 10 of the a/m order the cultural-educational activities and from the scope of physical culture and sport are realized on the basis of a weekly plan.
The activities conducted in day rooms, sports halls, playing fields and other rooms are realized on the basis of a monthly schedule. To sum up, each prisoner minimally outside the residential cell, on each day can stay for one hour (walk). The remaining activities do not guarantee each prisoner an everyday leaving of the residential cell.”
De overgeleverde persoon zal naar alle waarschijnlijkheid in
the Remand Centre in Szczecinworden geplaatst. De rechtbank zal daarom de detentieomstandigheden in die instelling toetsen. Hoewel uit de aanvullende informatie blijkt dat in
the Remand Centre in Szczecin3 m2 aan persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd, blijkt uit diezelfde aanvullende informatie niet hoeveel tijd de overgeleverde persoon gemiddeld en onder normale omstandigheden per dag buiten zijn cel kan verblijven. Er wordt namelijk slechts één uur per dag wandelen buiten de cel gegarandeerd. Met betrekking tot overige activiteiten die worden aangeboden wordt niet concreet aangegeven hoeveel tijd de overgeleverde persoon daarmee, onder normale omstandigheden en aangenomen dat hij ervoor kiest daaraan deel te nemen, daarbovenop dagelijks buiten zijn cel kan doorbrengen.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat, nu het al eerder vastgestelde algemene gevaar met deze verstrekte aanvullende informatie niet is weggenomen.
De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
Bij gewijzigde omstandigheden staat het de uitvaardigende justitiële autoriteit vrij om een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming in te dienen.

2.Beslissing

De rechtbank:
WEIGERTtoestemming voor uitbreiding van de vervolging van
[de overgeleverde persoon]voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 10 december 2025 door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink griffier.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.