ECLI:NL:RBAMS:2025:10877

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
13-068642-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Roekeloos rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel als gevolg van verkeersongeval

Op 25 februari 2024 vond er een ernstig verkeersongeval plaats op de Nieuwe Leeuwarderweg te Amsterdam, waarbij de verdachte, bestuurder van een Volkswagen Golf, met een snelheid van minimaal 151 km/uur reed, terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 70 km/uur was. De verdachte was onder invloed van alcohol, met een ademalcoholgehalte van 605 microgram per liter. Tijdens het ongeval raakte hij een Peugeot, bestuurd door [slachtoffer 1], die met [slachtoffer 2] als bijrijder reed. Beide inzittenden van de Peugeot liepen zwaar lichamelijk letsel op, waaronder ribbreuken en een gebroken borstbeen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich roekeloos heeft gedragen door de verkeersregels in ernstige mate te schenden, wat resulteerde in het ongeval en de verwondingen van de slachtoffers. De rechtbank achtte de verdachte schuldig aan overtredingen van artikel 6 en artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, en legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 4 jaar. De uitspraak vond plaats op 24 december 2025, na een zitting op 11 december 2025, waar de officier van justitie en de verdediging hun standpunten naar voren brachten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.068642.24
Datum uitspraak: 24 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]
.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. van der Veen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S. Ben Tarraf naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en ten aanzien van feit 1 na wijziging ter zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1.
Primair: het zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan anderen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
Subsidiair:het zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig gedragen dat
daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;
2. het besturen van een motorrijtuig na zodanig gebruik van een alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn (605 microgram).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en de onder 2 ten laste gelegde overtreding van artikel 8 WVW wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
De gedragingen van verdachte, bestaande uit een forse en herhaalde overschrijding van de maximumsnelheid, het met die snelheid inhalen van overig verkeer en het vervolgens proberen in te halen van de auto waarin de slachtoffers zaten, terwijl hij daardoor niet in staat was tijdig te remmen, betreffen buitengewoon onvoorzichtige gedragingen, zodanig dat daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt, nu verdachte tegen de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beiden zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.
Het rijden met zo’n hoge snelheid kan niet anders dan opzettelijk hebben plaatsgevonden, gelet op het feit dat hij daarvoor welbewust zijn gaspedaal heeft moeten indrukken en heeft moeten bijsturen om niet uit de bocht te vliegen.
De gedragingen van verdachte dienen dan ook te worden aangemerkt als roekeloos in de zin van artikel 175 lid 2 WVW in samenhang met artikel 5a WVW. Daarmee kan het onder 1 primair ten laste gelegde worden bewezen.
Nu verdachte bovendien onder invloed was van alcohol, kan ook het onder 2 ten laste gelegde worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen inhoudelijke verweren gevoerd, anders dan dat verdachte vlak voor het ongeval wel heeft opgelet, gelet op het feit dat hij naar eigen zeggen een lichtsein heeft gegeven aan de Peugeot van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die daardoor weer naar de linker rijbaan terug reed. Hierdoor meende verdachte dat hij de Peugeot rechts in kon halen om naar de afrit te gaan. Hij heeft geen rekening gehouden met het feit dat de Peugeot vervolgens de knipperlichten uitstak en toch naar rechts ging, voor zover hij hier met de door hem gereden snelheid rekening mee kon houden.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.1
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Op 25 februari 2024 om ongeveer 05.25 uur vond op de Nieuwe Leeuwarderweg te Amsterdam een verkeersongeval plaats tussen twee auto’s: een Volkswagen Golf en een Peugeot. Verdachte bestuurde de VW Golf. [slachtoffer 1] bestuurde de Peugeot en [slachtoffer 2] zat als bijrijder in de Peugeot. Beide auto’s kwamen uit de richting van de IJ-tunnel (centrum) en reden in de richting van de A10. [2] De rijbaan van de Nieuwe Leeuwarderweg bestond ter plaatse uit twee rijstroken. [3]
Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 70 km/uur. [4] Verdachte reed vlak voor het ongeval minimaal 151 km/uur. [5] In de gehele tunnel was sprake van een ononderbroken rijstrookmarkering waarbij het een bestuurder niet is toegestaan om van rijbaan te wisselen.
Na het verlaten van de tunnel, ongeveer 130 meter na het einde van de ononderbroken rijstrookmarkering, wisselde de Peugeot van rijstrook 1 naar rijstrook 2. [6] Vervolgens is verdachte van achteren tegen de Peugeot , aangereden. [7] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben daardoor letsel opgelopen, te weten ribbreuken, een sternum fractuur (breuk borstbeen), induratie ter plaatse van het mesenterium (gekneusde darmen) ( [slachtoffer 1] ), en een longcontusie (longkneuzing), ribfracturen en wervelbreuken ( [slachtoffer 2] ). [8] Verdachte verkeerde onder invloed van alcohol (605 ug/l). [9]
3.2
Beoordeling van feit 1 primair (artikel 6 WVW)
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in dc zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [10]
Verdachte heeft met een snelheid van minimaal 151 km/uur gereden in de IJ-tunnel en op de Nieuwe Leeuwarderweg, terwijl de maximumsnelheid 70 km/uur bedroeg. Bovendien verkeerde verdachte onder invloed van alcohol. Door met zo’n hoge snelheid en onder invloed van alcohol daar te rijden, heeft verdachte zichzelf de mogelijkheid ontnomen om tijdig te kunnen remmen voor andere verkeersdeelnemers, in dit geval de slachtoffers die – nadat zij uit de tunnel en voorbij de ononderbroken wegmarkering waren en richting aangaven om van rijstrook te wisselen – op de rijstrook van verdachte kwamen. Daardoor is verdachte met hoge snelheid achterop de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gereden.
Voor zover door de raadsman is aangevoerd dat verdachte zich er wel van heeft vergewist dat de weg voor hem vrij was, is dit onvoldoende geweest, gelet op de snelheid waarmee hij reed. Bovendien is er van de gestelde lichtseinen, wat daar verder ook van zij, op de beschikbare camerabeelden niets te zien.
Het door beide slachtoffers ten gevolge van het ongeval opgelopen letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de overgelegde medische verklaringen en de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen. Beiden zijn tot op heden nog niet (volledig) genezen.
Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden van het geval stelt de rechtbank vast dat verdachte ernstig tekort is geschoten in de voorzichtigheid die van verkeersdeelnemers wordt verwacht. Het verkeersongeval is daarmee te wijten aan zijn schuld.
Roekeloosheid?
De vraag is of de hiervoor genoemde gedragingen kunnen worden aangemerkt als roekeloos.
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereid ervan in de rechtspraak willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
De rechtbank zal beoordelen of de verkeersgedragingen van verdachte hieronder vallen.
Artikel 5a WVW
Dat is het geval als verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daarvoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a.
a) De geschonden verkeersregels
De rechtbank heeft hierboven al vastgesteld dat verdachte de maximumsnelheid (ruim tweemaal) heeft overschreden. Deze gedraging is in artikel 5a lid 1 onder g WVW uitdrukkelijk benoemd als voorbeeld van het schenden van verkeersregels. Hiermee wordt vastgesteld dat verdachte de verkeersregels heeft geschonden.
b) In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de verkeersregels ook in ernstige mate heeft geschonden. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat verdachte niet alleen kort voor het ongeval veel te snel heeft gereden, maar dat hij ook op de route daaraan voorafgaand, in de stad en in de IJ-tunnel (in ieder geval meermalen) harder heeft gereden dan ter plaatse was toegestaan. [11] Op de camerabeelden is te zien dat verdachte in de IJ-tunnel, terwijl zijn snelheid veel hoger was dan de andere auto’s, een taxi heel dicht is genaderd en vervolgens, ondanks de ononderbroken wegmarkering, rakelings van rijstrook veranderde (zonder dat zijn remlichten oplichtten) om de taxi te passeren. [12] Baan, de passagier in die taxi, heeft verklaard dat de taxi ‘helemaal schudde’ toen verdachte hen passeerde. [13] Ook is op de beelden te zien dat de auto van verdachte vanwege de hoge snelheid bijna uit de bocht vloog. [14] Diverse getuigen hebben daarnaast verklaard dat verdachte erg snel reed en dat ze verbaasd zouden zijn als verdachte niet ergens tegen aan zou rijden dan wel uit de bocht zou vliegen. [15] Daarnaast neemt de rechtbank mee dat verdachte dit alles deed terwijl hij fors onder invloed van alcohol verkeerde.
c) Opzettelijk
Het opzet van een verdachte – inclusief voorwaardelijk opzet – moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen.
Opzet op het schenden van de verkeersregels
Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft verdachte direct voorafgaand aan de aanrijding meermalen met (veel) te hoge snelheid gereden. Gelet op hetgeen op de camerabeelden is waargenomen, kan het niet anders dan dat verdachte opzettelijk zo hard heeft gereden: hij heeft immers meermalen heel bewust en hard moeten werken om bijvoorbeeld de taxi niet te raken en niet uit de bocht te vliegen. Desondanks heeft hij zijn snelheid niet aangepast.
Opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels
De aard en de ernst van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze zijn verricht en alle overige feiten en omstandigheden van het geval zoals hiervoor omschreven, maken dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest en heeft deze schending willens en wetens gecontinueerd.
d) Gevaar te duchten
Naar algemene ervaringsregels acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het hiervoor beschreven verkeersgedrag van verdachte. Dat dit daadwerkelijk het geval was, blijkt uit het feit dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De aanrijding is een enorme klap geweest, zo blijkt uit de hiervoor genoemde getuigenverklaringen, de camerabeelden en de schade aan beide betrokken auto’s.
Conclusie
Het voorgaande betekent dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld. De rechtbank acht daarom het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen.
3.3
Beoordeling van feit 2 (rijden onder invloed van alcohol)
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1.2 is vastgesteld, ook dit feit kan worden bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in 3.1 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1 primair:
op 25 februari 2024 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (Volkswagen Golf), daarmee rijdende op de Nieuwe Leeuwarderweg, zich zodanig, te weten roekeloos
,heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten: gebroken ribben en gekneusde darmen en een gebroken borstbeen ( [slachtoffer 1] ), en gebroken ribben en gebroken ruggenwervels en gekneusde longen ( [slachtoffer 2] ),
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Nieuw Leeuwarderweg, komende uit de richting van de IJ-tunnel (centrum) en gaande in de richting van de A10,
terwijl verdachte onder invloed was van alcohol,
verdachte heeft gereden met een aanzienlijke snelheid van minimaal 151 kilometer per uur waar de toegestane maximumsnelheid 70 kilometer per uur betrof, en
verdachte heeft zich er niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist en is zich er niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor hem vrij was van enig verkeer, en
verdachte heeft de snelheid van de door hem bestuurde auto niet zodanig geregeld dat hij in staat was dat deze tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en
verdachte is vervolgens van achteren tegen de in dezelfde richting rijdende personenauto met als inzittenden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangereden,
waardoor aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;
ten aanzien van feit 2:
op 25 februari 2024 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 605 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren. Bij de eis is aansluiting gezocht bij de richtlijnen voor artikel 6 WVW waarbij sprake is van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag. Hoewel roekeloosheid een ernstiger schuldverwijt betreft, is geen hogere straf gevorderd gelet op de houding van verdachte ter zitting en omdat het feit al geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden.
7.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte is zich ervan bewust dat hij een grote fout heeft gemaakt en dat hij daar de rest van zijn leven mee moet leren leven. Door het ongeval moet hij ook – vooralsnog – € 85.000,- aan de verzekeraar betalen wegens door haar uitgekeerde schadevergoeding aan de slachtoffers. Dit geld heeft hij niet. Hij is door het gebeuren depressief geworden en heeft pas onlangs hulp van een psycholoog ingeroepen. Verdachte wil niet dat dit wordt doorkruist. Daarnaast zorgt hij voor zijn zieke vader.
Verzocht is daarom aan verdachte een gevangenisstraf van (bijvoorbeeld) anderhalf jaar voorwaardelijk op te leggen, en een dubbele taakstraf van in totaal 480 uur (per feit het maximum). Hoewel verdachte voor zijn vader moet zorgen, kan hij wel enkele uren per dag de woning verlaten om te gaan werken.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Blijkens de slachtofferverklaringen ondervinden beiden ook nu nog, bijna twee jaar na dato, grote gevolgen van het ongeval en zijn zij beiden nog niet in staat hun normale bezigheden op te pakken. Het ongeval heeft hun leven ernstig beperkt en beïnvloed. Het mag een wonder genoemd worden dat beide slachtoffers nog in leven zijn en dat niet meer weggebruikers betrokken zijn geraakt in een ongeval door het rijgedrag van verdachte. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hoewel geen oriëntatiepunten bestaan ten aanzien van roekeloos rijgedrag, komt de eis van de officier van justitie overeen met hetgeen doorgaans wordt opgelegd indien sprake is van een zeer hoge mate van schuld.
De rechtbank is van oordeel dat vanwege de ernst van het bewezen verklaarde, anders dan door de raadsman is verzocht, een gevangenisstraf op zijn plaats is.
De rechtbank houdt echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter zitting aan de orde zijn gekomen.
De rechtbank acht het daarom vanwege de ernst van het feit op zijn plaats om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden op te leggen, maar zal vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een gedeelte daarvan, te weten 12 maanden, voorwaardelijk opleggen.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat verdachte de verkeersveiligheid zodanig in gevaar heeft gebracht, dat hem een ontzegging van de rijbevoegdheid voor meerdere jaren, te weten voor de duur van vier jaren, moet worden opgelegd.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, en 55 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
eendaadse samenloop van
ten aanzien van feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,
en
ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Ontzegtverdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 4 (vier) jaren.
Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M. Beunk, voorzitter,
mrs. D. Bode en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2025.
[..]
,[..]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal FO Verkeer, doorgenummerde pag. 17, 18, 20, 24, 25, 59.
3.Proces-verbaal FO Verkeer, foto op doorgenummerde pag. 23
4.Proces-verbaal FO Verkeer, doorgenummerde pag. 30, 31.
5.Proces-verbaal FO Verkeer, doorgenummerde pag. 68, 88.
6.Proces-verbaal FO Verkeer, doorgenummerde pag. 18.
7.Proces-verbaal FO Verkeer, doorgenummerde pag. 56-58.
8.Medische verklaring m.b.t. [slachtoffer 1] van 29 februari 2024; medische verklaringen m.b.t. [slachtoffer 2] d.d. 25 februari 2024 en 5 juni 2024.
9.De bekennende verklaring van verdachte ter zitting; proces-verbaal van rijden onder invloed, doorgenummerde pag. 249, 252, uitdraai ademanalyse, pag. niet doorgenummerd;
10.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en van 29 april
11.Proces-verbaal analyse VRI data, doorgenummerde pag. 136, 138, 177- 181, 184-193; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , doorgenummerde pag. 261; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , doorgenummerde pag. 264, 265.
12.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , doorgenummerde pag. 271; eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 11 december 2025 van de overgelegde camerabeelden.
13.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , doorgenummerde pag. 271.
14.Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 11 december 2025 van de overgelegde camerabeelden.
15.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , doorgenummerde pag. 261; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , doorgenummerde pag. 264, 265.