ECLI:NL:RBAMS:2025:10909

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
10887552 \ CV EXPL 24-729
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:193e lid 1 sub c BWRichtlijn 93/13/EGECLI:EU:C:2021:68ECLI:EU:C:2022:971ECLI:NL:HR:2023:198
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing oneerlijke bedingen in shortleaseovereenkomst en aanhouding voor nadere toelichting

De zaak betreft een vordering van SELECT CAR LEASE B.V. tegen een consument wegens niet nagekomen verplichtingen uit een shortleaseovereenkomst voor een auto. De eisende partij vordert betaling van onbetaalde leasetermijnen, stornokosten, een kilometerafrekening en eigen risico.

De rechtbank toetst ambtshalve de overeenkomst aan het consumentenrecht, met name de Richtlijn 93/13/EG over oneerlijke bedingen. De leaseprijs en kilometervergoeding zijn onduidelijk en mogelijk niet transparant, waardoor eisende partij wordt verzocht zich hierover nader uit te laten. Het eigen risico is niet oneerlijk bevonden, maar de schades zijn onvoldoende onderbouwd.

Verschillende bedingen over stornokosten, rente, incassokosten en gerechtelijke kosten worden als oneerlijk aangemerkt omdat ze het evenwicht tussen partijen verstoren en afwijken van wettelijke regelingen. Deze bedingen worden buiten toepassing gelaten, tenzij eisende partij zich hiertegen kan verweren. De zaak wordt aangehouden en verwezen naar een rolzitting voor nadere uitlatingen van de eisende partij.

Uitkomst: De rechtbank verklaart meerdere bedingen in de shortleaseovereenkomst oneerlijk en houdt de zaak aan voor nadere uitlatingen van de eisende partij.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10887552 \ CV EXPL 24-729
Vonnis van 19 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SELECT CAR LEASE B.V.,
gevestigd te Woerden,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 januari 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 2.976,15 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. Eisende partij stelt dat gedaagde partij zich niet heeft gehouden aan alle verplichtingen voortvloeiend uit de tussen hen gesloten shortleaseovereenkomst met betrekking tot een auto.
2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen eisende partij als handelaar en gedaagde partij als consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Onder meer moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
De vordering bestaat volgens eisende partij uit onbetaald gelaten leasetermijnen, stornokosten, een kilometerafrekening en in rekening gebracht eigen risico vanwege schade. Van de afzonderlijke onderdelen van de vordering moet worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is of kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
Onbetaald gelaten leasetermijnen en meer gereden kilometers
2.4.
In de overeenkomst is geen leaseprijs per maand vermeld. Weliswaar staat achter ‘huurtarief’ 314,0500, maar niet duidelijk is of dat voor de gehele periode van 07-12-2022 tot 07-03-2023 is of per termijn, waarbij ook niet is gespecificeerd wat een termijn is. Bovendien zijn alle genoemde bedragen exclusief btw, terwijl de prijs inclusief btw essentiële informatie is (artikel 6:193e lid 1 onder c van het Burgerlijk Wetboek). In de facturen ten aanzien van de onbetaald gelaten leasetermijnen wordt per maand € 150,00 inclusief btw in rekening gebracht. Dat verhoudt zich niet met eerdergenoemd huurtarief. Dit dient eisende partij nader toe te lichten.
2.5.
Vanwege de hiervoor beschreven onduidelijkheid over de hoogte van de leaseprijs, in combinatie met het feit dat alle genoemde bedragen in de overeenkomst exclusief btw zijn, wordt het prijsbeding ten aanzien van de leaseprijs en de meer gereden kilometers als niet transparant aangemerkt, zodat deze op oneerlijkheid moeten worden getoetst. Als het prijsbeding als oneerlijk wordt aangemerkt, moet het ambtshalve buiten toepassing worden gelaten, zodat gedaagde partij daar niet aan is gebonden. Nu eisende partij zich over de (on)eerlijkheid van het prijsbeding – zowel voor de leaseprijs als de prijs per meer gereden kilometer – nog niet heeft uitgelaten, zal zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld.
Eigen risico
2.6.
Eisende partij heeft € 1.500,00 aan eigen risico in verband met schades in rekening gebracht. De hoogte van het eigen risico volgt uit de leaseovereenkomst en artikel 8 van Pro de algemene voorwaarden. De bedingen die aan dit onderdeel van de vordering ten grondslag (kunnen) liggen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.7.
De gestelde schades zijn echter niet onderbouwd met een schaderapport. Eisende partij wordt opgedragen de schades waarvoor zij eigen risico bij gedaagde partij in rekening heeft gebracht bij akte van een onderbouwing te voorzien.
2.8.
Eisende partij vordert verder € 45,00 stornokosten, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Zij heeft in de algemene voorwaarden bedingen staan die aan deze vorderingen ten grondslag kunnen liggen. Deze staan in artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden, die voor zover relevant hierna zijn geciteerd.
Artikel 13: Facturering Pro en betaling
(…)
E. Indien incasseren niet mogelijk is wordt Lessee een administratieve sanctie opgelegd van € 45,- per storno.
(…)G. Door Lessee gedane betalingen strekken steeds ter afdoening in de eerste plaats van alle verschuldigde rente en kosten en in de tweede plaats van opeisbare facturen, die het langst openstaan, zelfs al vermeldt Lessee dat de voldoening betrekking heeft op een latere factuur.
I. Indien Lessee, na tot betaling te zijn aangemaand, nalatig blijft de vordering te voldoen, is Lessor gerechtigd de invordering uit handen te geven, in welk geval Lessee naast het alsdan verschuldigde totale bedrag tevens gehouden is tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, waarvan de hoogte wordt gesteld op tenminste 15% van de hoofdsom met dien verstande dat deze minimaal € 75,- bedragen. Indien Lessor aantoont hogere kosten te hebben gemaakt, welke redelijkerwijs noodzakelijk waren, komen deze voor vergoeding in aanmerking. Tevens is Lessee gehouden, in het geval van gerechtelijke kosten, daaronder ook begrepen de daadwerkelijke door Lessor gemaakte gerechtelijke kosten, daaronder ook begrepen de daadwerkelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand te vergoeden.
J. Lessor is gerechtigd om de huurovereenkomst zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst te beëindigen en zich weer in het bezit van het voertuig te stellen, onverminderd haar recht op vergoeding van kosten, schade en renten, indien blijkt dat Lessee tijdens de huurperiode een van zijn verplichtingen niet, niet geheel, niet tijdig, dan wel niet behoorlijk nakomt. (…)
2.9.
Alle hiervoor aangehaalde bedingen, die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, worden als oneerlijk aangemerkt omdat ze het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoren en/of ten nadele van de consument afwijken van de wettelijke regelingen. Ter toelichting geldt het volgende.
Rente en stornokosten
2.10.
Nu de rente niet nader wordt gespecificeerd, zou eisende partij met een beroep op dit beding een (aanzienlijk) hogere rente dan de wettelijke rente in rekening kunnen brengen, naast een direct opeisbare boete van € 45,- per storno. Beide kunnen leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding.
Buitengerechtelijke kosten
2.11.
Op grond van het beding kunnen, zonder limiet, incassokosten bij de consument in rekening worden gebracht. Er wordt gerefereerd aan tenminste 15% en een minimumbedrag van € 75,-. Door deze formulering heeft het beding een bredere strekking dan de incassokosten die op grond van de wet zijn te vorderen. Door de toevoeging ‘tenminste’ is niet duidelijk hoe hoog de kosten zijn die in rekening zullen of kunnen worden gebracht, noch wordt er een maximum aan verbonden. Nu eisende partij zichzelf met het beding de bevoegdheid heeft gegeven om ongelimiteerd incassokosten bij de consument in rekening te brengen, is sprake van een aanzienlijke verstoring van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst, ten nadele van de consument. Als wordt afgeweken van dwingend recht, zoals hier, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198).
Gerechtelijke kosten
2.12.
Een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht is als oneerlijk aan te merken. Dat is bevestigd door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:820). Het beding geeft eisende partij de mogelijkheid om alle daadwerkelijk gemaakte gerechtelijke kosten, waaronder alle kosten voor juridische bijstand, bij de consument in rekening te brengen. Dat is in rechte slechts mogelijk ingeval van zeer bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht.
2.13.
Gevolg van de oneerlijkheid van de bedingen is dat de kantonrechter ze buiten toepassing moet laten, zodat gedaagde partij daar niet aan is gebonden. Ze kunnen geen grondslag vormen voor de afzonderlijke delen van de vordering die daarop zijn of kunnen worden gebaseerd. Eisende partij kan dan ook geen aanspraak meer maken op de wettelijke regelingen die van toepassing zouden zijn als de bedingen niet in de algemene voorwaarden zouden staan.
2.14.
Voordat de hiervoor besproken bedingen buiten toepassing worden gelaten, mag eisende partij zich daarover bij akte uitlaten.
2.15.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.4, 2.5, 2.7 en 2.14.
2.16.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.17.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
vrijdag 23 januari 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.16,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
991