Eiser kocht in 2008 een woning gefinancierd met een hypothecaire lening bij Bank of Scotland. Na executieveiling in 2014 ontstond een restantvordering van circa €233.000. In 2019 droeg Bank of Scotland deze vordering over aan Lloyds Bank. Eiser stelde dat de vordering was verjaard per februari 2019, terwijl Lloyds Bank stelde dat de verjaring meerdere malen was gestuit.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Nederlands recht van toepassing is. De verjaringstermijn van vijf jaar was inderdaad gestart in februari 2014, maar is volgens de rechtbank gestuit door aflossingen van eiser tot november 2017, een exploot van juni 2019 en een stuitingsexploot van oktober 2023. Deze stuitingen verlengden telkens de verjaringstermijn.
Eiser voerde aan dat Lloyds Bank afstand had gedaan van het recht op stuiting, maar de rechtbank verwierp dit omdat geen ondubbelzinnige wilsverklaring tot afstand was gegeven. De vorderingen van eiser werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten van Lloyds Bank.