De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de identiteit van de opgeëiste persoon juist is en dat hij de Poolse nationaliteit bezit.
De verdediging voerde aan dat overlevering geweigerd moet worden vanwege onduidelijkheid over de detentieplaats in Polen en slechte detentieomstandigheden, met name in de inrichting te Barczewo. De Poolse autoriteiten konden niet garanderen dat de opgeëiste persoon niet in Barczewo zou worden gedetineerd, wat volgens de verdediging een reëel risico op mensonterende behandeling inhoudt.
De officier van justitie stelde daarentegen dat er geen algemeen gevaar is in de penitentiaire inrichting te Barczewo en dat het onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon daar zal worden gedetineerd. De rechtbank bevestigde dit oordeel in een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak en concludeerde dat het risico op schending van grondrechten bij overlevering niet reëel is.
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat er geen weigeringsgronden zijn. De overlevering werd toegestaan, waarbij werd overwogen dat de onzekerheid over de detentieplaats niet relevant is voor het besluit en dat de opgeëiste persoon geen reëel gevaar loopt op grondrechtenschending.