ECLI:NL:RBAMS:2025:2484

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 april 2025
Publicatiedatum
16 april 2025
Zaaknummer
11261150 \ CV EXPL 24-10628
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWRichtlijn 93/13/EGECLI:NL:HR:2024:1780ECLI:NL:HR:2023:198ECLI:EU:C:2021:68
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht bij huur van kluis met oneerlijke bedingen

In deze zaak staat een huurovereenkomst van een kluis centraal tussen een handelaar en een consument, waarbij ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht plaatsvindt. De rechtbank onderzoekt of de eisende partij heeft voldaan aan haar informatieplichten en toetst de algemene voorwaarden aan Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen.

De rechtbank stelt vast dat de informatieplichten zijn nageleefd. Het transparante prijsbeding wordt niet als oneerlijk beoordeeld. Echter, het beding inzake buitengerechtelijke incassokosten wordt als oneerlijk aangemerkt omdat het geen verwijzing naar de wettelijke regeling bevat, waardoor de eisende partij ongelimiteerd kosten kan verhalen. Dit beding zal ambtshalve worden vernietigd.

Daarnaast bevat de overeenkomst een opslagbeding bovenop de CPI-indexatie van de huurprijs, waarmee de eisende partij de huurprijs eenzijdig en onbeperkt kan verhogen. Dit leidt tot een onevenwichtige verhouding tussen partijen en wordt eveneens als oneerlijk beoordeeld en ambtshalve vernietigd.

De rechtbank geeft de eisende partij de gelegenheid zich uit te laten over dit voornemen en houdt verdere beslissing aan. De zaak wordt verwezen naar de rol voor een akte van uitlating.

Uitkomst: De rechtbank wijst het voornemen tot ambtshalve vernietiging van oneerlijke bedingen toe en houdt verdere beslissing aan voor uitlating eisende partij.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11261150 \ CV EXPL 24-10628
Vonnis van 11 april 2025
in de zaak van
DE NEDERLANDSE KLUIS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De overeenkomst die in deze procedure centraal staat is gesloten tussen een handelaar en een consument. In dat geval moet ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht plaatsvinden. Onder meer moet worden onderzocht of eisende partij de op haar rustende informatieplichten heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Informatieplichten
2.2.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, te weten binnen de verkoopruimte bij eisende partij na een rondleiding, is sprake van een overeenkomst waarop de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. Eisende partij heeft gemotiveerd gesteld dat zij heeft voldaan aan deze informatieplichten. De informatie is ook terug te vinden in de overeenkomst en de daarbij ter hand gestelde algemene voorwaarden. Aan de informatieplichten is daarom voldaan.
Toetsing van bedingen
2.3.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een transparant prijsbeding, zodat toetsing van dat beding op oneerlijkheid van dat beding ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn niet aan de orde is.
2.4.
In de algemene voorwaarden staat in artikel 7 een Pro beding op grond waarvan eisende partij buitengerechtelijke incassokosten in rekening kan brengen. Het beding luidt:
“Verhuurder is gerechtigd buitengerechtelijke en gerechtelijke incassokosten bij Huurder in rekening te brengen. Indien Huurder een consument is, zal Verhuurder de buitengerechtelijke incassokosten pas in rekening brengen nadat 1) Huurder in verzuim is; en 2) Verhuurder Huurder heeft aangemaand tot betaling binnen veertien dagen na de dag van aanmaning, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.”
2.5.
Geoordeeld wordt dat het hiervoor geciteerde beding op grond waarvan eisende partij buitengerechtelijke incassokosten in rekening kan brengen als oneerlijk is aan te merken, omdat een verwijzing naar de wettelijke regeling ontbreekt waardoor eisende partij, met een beroep op dit beding, ongelimiteerd kosten bij gedaagde partij in rekening zou kunnen brengen. Het beding wijkt daarmee ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is (ECLI:NL:HR:2023:198).
2.6.
De kantonrechter is dan ook voornemens het hiervoor geciteerde beding ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te vernietigen. Gevolg hiervan is dat eisende partij zich niet meer op het beding kan beroepen. Evenmin kan eisende partij een beroep doen op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de algemene voorwaarden zou staan (ECLI:EU:C:2021:68 & ECLI:EU:C:2022:971).
2.7.
In de algemene voorwaarden staat in artikel 6 een Pro beding op grond waarvan eisende partij de huurprijs eenzijdig kan wijzigen. Dit beding is voor de onderhavige vordering van belang, omdat eisende partij in het petitum onder d. van de dagvaarding aanspraak maakt op huurbetaling, althans een gebruiksvergoeding, vermeerderd met de overeengekomen indexatie.
2.8.
Het beding luidt:
“Prijsindex: Verhuurder is gerechtigd de huurprijs en de assurantiepremie jaarlijks te indexeren op basis van wijziging maandprijsindexcijfer volgens de Consumentenprijsindex (CPI) reeks CPI alle huishoudens (2015=100) gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daarnaast is Verhuurder steeds gerechtigd de huur na afloop van het contractjaar eenzijdig verder te verhogen, voor zover de verhoging uiterlijk 1 maand voor de afloop van het contractjaar aan Huurder bekend wordt gemaakt. Huurder heeft in dat geval het recht voor het einde van het betreffende contractjaar de Overeenkomst te ontbinden.”
2.9.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad over prijswijzigingsbedingen in huurovereenkomsten, ECLI:NL:HR:2024:1780, wordt geoordeeld wordt dat een overeengekomen indexatie op basis van de CPI op zichzelf niet oneerlijk is. Het hiervoor geciteerde beding geeft eisende partij echter de mogelijkheid om daar bovenop, zonder enige limiet, de huur nog verder te verhogen. Daarmee staan de rechten en verplichtingen van partijen niet meer in een evenwichtige verhouding tot elkaar. Dit beding dat eisende partij de mogelijkheid geeft de overeengekomen huurprijs eenzijdig zonder enige limiet te verhogen bewerkstelligt een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen, ten nadele van de consument. Nu het ‘opslagbeding’ volgens de Hoge Raad afzonderlijk van het indexatiebeding kan worden getoetst op oneerlijkheid, zal de kantonrechter daartoe overgaan. Het opslagbeding wordt op grond van het voorgaande als oneerlijk aangemerkt. Daarom is de kantonrechter voornemens dat opslagbeding ambtshalve te vernietigen. Gevolg daarvan is dat eisende partij zich niet meer op dat opslagbeding kan beroepen en de huurprijs uitsluitend verhoogd mag worden op basis van de CPI.
2.10.
Voordat tot vernietiging van de hiervoor geciteerde bedingen wordt overgegaan, mag eisende partij zich over het voornemen uitlaten. De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij verwezen naar de rol.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
vrijdag 9 mei 2025 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2025.
991