Uitspraak
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
1.de stichting [naam stichting] ,
de commanditaire vennootschap [gedaagde 2],
Rechtbank Amsterdam
In deze huurzaak heeft de rechtbank Amsterdam het tussenvonnis van 1 februari 2024 herbeoordeeld naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1780). De Hoge Raad oordeelde dat een opslagbeding en een indexatiebeding in een huurprijswijzigingsbeding inhoudelijk gescheiden moeten worden beoordeeld. Een opslagbeding van maximaal 3% bovenop de CPI is niet oneerlijk, maar een hoger percentage kan dat wel zijn.
De rechtbank concludeert dat het indexatiebeding in artikel 5.2 van de huurovereenkomst niet oneerlijk is, maar het opslagbeding van maximaal 5% wel. Dit opslagbeding wordt vernietigd omdat het voor huurders niet voorzienbaar was en het percentage hoger is dan gebruikelijk in de gereguleerde sector, waardoor het evenwicht tussen rechten en verplichtingen wordt verstoord.
De verhuurder heeft de huurprijzen vanaf 1 juli 2021 verhoogd met percentages die het toegestane CPI-percentage overschrijden door gebruik van het opslagbeding. De rechtbank veroordeelt verhuurder tot terugbetaling van de te veel betaalde huur aan de drie huurders over verschillende perioden, tezamen enkele duizenden euro's. Tevens worden de proceskosten aan verhuurder opgelegd en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing van huurprijswijzigingsbedingen en bevestigt dat opslagbedingen boven 3% boven de CPI snel als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.
Uitkomst: Het opslagbeding van maximaal 5% bovenop de CPI wordt vernietigd en verhuurder wordt veroordeeld tot terugbetaling van te veel betaalde huur.