De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 juni 2025 het verzoek tot overlevering van een Belgische verdachte, geboren in 1997, die momenteel gedetineerd is in Nederland. Het verzoek betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar opgelegd door de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen voor informaticacriminaliteit en oplichting.
De verdachte verscheen niet op de zitting en wenste geen raadsman, maar een advocaat was telefonisch aanwezig. De rechtbank oordeelde dat de afwezigheid van de verdachte te wijten was aan zijn eigen handelen en besloot de zaak in zijn afwezigheid te behandelen. De rechtbank stelde vast dat het Europees aanhoudingsbevel (EAB) voldeed aan de wettelijke eisen, inclusief de garantie dat de verdachte na overlevering geïnformeerd zal worden over zijn rechten op verzet en hoger beroep.
Daarnaast werd een individuele garantie van België ontvangen over de detentieomstandigheden, waarmee het algemene gevaar van onmenselijke behandeling in Belgische gevangenissen werd weggenomen. De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig waren en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.