De werknemer trad op 9 mei 2022 in dienst bij Breadz B.V. als bakker III op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die op 14 oktober 2024 eindigde. De cao voor het Bakkersbedrijf was van toepassing. De werknemer vorderde betaling van niet doorgevoerde loonsverhogingen, toeslagen en een eenmalige cao-uitkering over 2022-2024, alsmede een transitievergoeding.
Breadz erkende de vorderingen deels, maar stelde dat er onderling afspraken waren gemaakt over lagere betalingen. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever de loonverhogingen, toeslagen en cao-uitkering niet had betaald zoals verplicht, en dat de werknemer recht had op de volledige gevorderde bedragen minus reeds betaalde bedragen. De transitievergoeding werd eveneens toegewezen op basis van het bruto maandloon en de duur van het dienstverband.
De wettelijke verhoging over de loonvordering werd toegewezen maar gematigd tot 10% vanwege de financiële situatie van Breadz en tijdige betaling van het merendeel van het loon. De wettelijke verhoging over de transitievergoeding werd afgewezen. Een vermeende afspraak tot gedeeltelijke kwijtschelding van de vordering werd verworpen vanwege de zwakkere positie van de werknemer.
Breadz werd veroordeeld tot betaling van de loonvordering, transitievergoeding, wettelijke rente en proceskosten. Een betalingsregeling kon niet door de kantonrechter worden opgelegd, en partijen werd geadviseerd hierover onderling afspraken te maken.