Op 4 december 2024 verzochten de Franse autoriteiten middels een Europees onderzoeksbevel (EOB) om de inbeslagname van een Mercedes in Nijkerk in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen klager. De auto werd op 6 december 2024 in beslag genomen. Klager diende op 25 maart 2025 een klaagschrift in bij de rechtbank Amsterdam met het verzoek tot teruggave van de auto, stellende dat de rechtbank Amsterdam bevoegd was en dat het inbeslagnamebesluit onterecht was.
De rechtbank Amsterdam behandelde het klaagschrift op 11 juni 2025, waarbij de gemachtigde van klager en de officier van justitie werden gehoord. De officier van justitie betoogde dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd was omdat de inbeslagname plaatsvond in Nijkerk (arrondissement Gelderland) en het EOB wordt uitgevoerd door het Landelijke Parket in Zwolle (arrondissement Overijssel).
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 5.4.10 en artikel 552a Sv de rechtbank van het arrondissement waar de inbeslagname heeft plaatsgevonden bevoegd is. Omdat de auto in Nijkerk is in beslag genomen, is de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, bevoegd. De rechtbank Amsterdam verklaarde zich daarom onbevoegd en zond het klaagschrift door naar de rechtbank Gelderland voor verdere behandeling.