ECLI:NL:RBAMS:2025:4726

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juli 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
11465702 \ CV EXPL 24-16399
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling debetsaldo en terugbetaling lening door ING Bank N.V. na frauduleuze handelwijze van de gedaagde

In deze zaak vordert ING Bank N.V. betaling van een debetsaldo en terugbetaling van een lening van de gedaagde, die frauduleuze documenten heeft ingediend bij de leningaanvraag. De gedaagde had een betaalrekening bij ING met een kredietlimiet van € 500,00 en had een lening van € 5.000,00 afgesloten. Na ontdekking van valsheid in geschrifte heeft ING de bancaire relatie met de gedaagde beëindigd en de vorderingen onmiddellijk opeisbaar gemaakt. De kantonrechter heeft vastgesteld dat ING voldoende heeft aangetoond dat de gedaagde het vertrouwen heeft geschaad door gebruik te maken van vervalste documenten. De kantonrechter heeft de vordering van ING tot betaling van € 5.885,44 toegewezen, bestaande uit het debetsaldo en de openstaande lening, en de wettelijke rente vanaf 28 april 2023 toegewezen. De kantonrechter heeft echter de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten afgewezen, omdat de relevante bedingen in de algemene voorwaarden als oneerlijk zijn beoordeeld. De uitspraak is gedaan op 3 juli 2025 door kantonrechter E.J. Otten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11465702 \ CV EXPL 24-16399
Vonnis van 3 juli 2025
in de zaak van
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ING,
gemachtigde: mr. P.C. Nieuwenhuizen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 december 2024, met producties
- de conclusie van antwoord, met een productie
- het tussenvonnis van 13 februari 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte met producties van ING.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 6 juni 2025. De gemachtigde van ING is verschenen, samen met [naam] namens Vesting Finance. [gedaagde] is niet verschenen, hoewel hij hiertoe wel was opgeroepen. ING heeft haar standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft een betaalrekening bij ING met een kredietlimiet van € 500,00. Op de overeenkomst zijn verschillende algemene voorwaarden en regelingen van toepassing, waaronder de Algemene Bankvoorwaarden 2009 (hierna: de ABV) en de Toelichting op de Algemene Bankvoorwaarden.
2.2.
Op 6 januari 2023 is tussen ING en [gedaagde] een leningsovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 5.000,00. Dit bedrag is diezelfde dag uitgekeerd aan [gedaagde] . Op deze overeenkomst zijn de Voorwaarden Persoonlijke Lening van toepassing verklaard. In die voorwaarden is opgenomen dat op de leningsovereenkomst ook de ABV van toepassing zijn.
2.3.
Op enig moment kort daarop heeft [gedaagde] een tweede lening aangevraagd bij ING. Bij deze aanvraag heeft [gedaagde] een loonstrook van december 2022 overgelegd, waaruit blijkt dat er beslag ligt op zijn loon. ING heeft de aanvraag voor deze lening afgewezen vanwege het loonbeslag.
2.4.
Hierna heeft [gedaagde] nogmaals een lening aangevraagd. Hij heeft hiervoor een loonstrook van december 2022 overgelegd. Op deze loonstrook staat geen loonbeslag vermeld.
2.5.
Ongeveer twee weken na het aangaan van de eerste lening, op 19 januari 2023, heeft ING [gedaagde] per brief geschreven dat uit controle is gebleken dat aanpassingen zijn gedaan in de stukken die [gedaagde] heeft aangeleverd bij de aanvraag voor een lening. ING schrijft dat sprake is van valsheid in geschrifte met als doel een lening te krijgen. Omdat hierdoor het vertrouwen in de klantrelatie ernstig is geschaad, schrijft ING dat zij afscheid neemt van [gedaagde] als klant en dat [gedaagde] bezwaar kan maken tegen deze beslissing.
2.6.
Per brief van 27 februari 2023 heeft ING de bancaire relatie beëindigd. In de brief schrijft ING dat dit betekent dat alle producten en diensten beëindigd worden. Ook heeft zij [gedaagde] verzocht om binnen twee maanden het negatieve saldo op de betaalrekening en om de lening terug te betalen. Verder staat in de brief dat [gedaagde] binnen zes weken bezwaar kan maken tegen deze beslissing.
2.7.
[gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt en de bedragen niet betaald, ook niet na aanmaning daartoe door de incassogemachtigde van ING, Vesting Finance.

3.Het geschil

3.1.
ING vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.885,44. Dit bedrag bestaat uit € 1.006,98 aan debetsaldo op de betaalrekening en € 4.878,46 aan openstaande kredietsom van de lening. Ook vordert ING de wettelijke rente over dit bedrag, incassokosten en veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2.
ING legt aan de vordering het volgende ten grondslag. ING heeft op grond van artikel 3:17 van de Wet op het financieel toezicht de taak om haar bedrijfsvoering zodanig in te richten dat de integere uitoefening wordt gewaarborgd. Hieronder wordt onder meer verstaan het tegengaan van relaties met klanten die het vertrouwen in ING kunnen schaden. [gedaagde] heeft het vertrouwen van ING geschaad door bij de aanvraag van de lening gebruik te maken van een vervalste loonstrook.
3.3.
Op grond van artikel 27 van de ABV mocht ING daarom de vorderingen die zij had op [gedaagde] door opzegging onmiddellijk opeisbaar maken. [gedaagde] was dus verplicht om direct zijn debetsaldo en het openstaande bedrag van de lening terug te betalen.
3.4.
[gedaagde] voert aan dat hij de afgelopen acht jaar een moeilijke periode heeft doorgemaakt, waarin hij kampte met een verslaving. Dit heeft geleid tot het maken van schulden en begaan van fouten. [gedaagde] neemt de verantwoordelijkheid voor deze fouten en is vastberaden zijn leven te verbeteren. Hiertoe heeft hij inmiddels drie behandelingen ondergaan en is hij vier maanden clean. Ook heeft hij bij het buurtteam hulp gezocht bij zijn financiële problemen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ambtshalve toetsing
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat er een overeenkomst is gesloten tussen ING als handelaar en [gedaagde] als consument. Dit betekent dat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen aan het consumentenrecht, ook als de consument daar geen beroep op doet, de vordering erkent of verstek laat gaan.
4.2.
ING heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij zowel ten aanzien van de betaalrekening met debetsaldo als ten aanzien van de leningsovereenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen die zij heeft op grond van titel 2A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast is voldoende onderbouwd dat ING de kredietwaardigheid van [gedaagde] heeft getoetst voorafgaand aan het aangaan van beide overeenkomsten.
4.3.
Verder moet ambtshalve worden beoordeeld of de bepalingen in de overeenkomst of in de toepasselijke algemene voorwaarden oneerlijke bedingen bevatten. De bedingen die voor de beoordeling van de vorderingen in deze procedure van belang zijn, zijn artikel 27 ABV en artikel 28 ABV. Deze luiden:

27 Onmiddellijke opeisbaarheid
Als de cliënt in verzuim is met de nakoming van enige verplichting jegens de bank, mag de bank haar vorderingen op de cliënt door opzegging onmiddellijk opeisbaar maken, tenzij dit gelet op de geringe betekenis van het verzuim niet gerechtvaardigd is. Een dergelijke opzegging geschiedt schriftelijk met vermelding van de reden.

28.Bijzondere kosten

28.1
Als de bank wordt betrokken bij een beslag, geschil of procedure tussen de cliënt en een derde, dan zal de cliënt de daaruit voor de bank voortvloeiende kosten (bijvoorbeeld rechtsbijstandskosten) volledig aan haar vergoeden.
28.2
Alle overige bijzondere kosten van de bank voortvloeiend uit de relatie met de cliënt komen voor rekening van de cliënt voor zover dit redelijk is.’
4.4.
Van belang in dit verband is ook de toelichting op artikel 28, welke is opgenomen in het document Toelichting op de Algemene Bankvoorwaarden, die van toepassing is op de overeenkomst met betrekking tot de betaalrekening. Deze toelichting luidt, voor zover hier van belang:

Artikel 28 Bijzondere kosten
Welke bijzondere kosten kunnen wij bij u in rekening brengen?
(…)
2. Er kunnen ook andere bijzondere kosten voor ons ontstaan in verband met onze relatie met u. Die moet u aan ons vergoeden voor zover dit redelijk is. Denkt u bijvoorbeeld aan porto-, telefoon- en taxatiekosten, maar ook aan rechtsbijstandskosten. Het kan zijn dat we in een procedure met u meer rechtsbijstandskosten maken dan het bedrag dat u volgens de wettelijke kostenveroordeling aan ons zou moeten voldoen. Wanneer u die procedure verliest, moet u toch onze volledige rechtsbijstandskosten vergoeden, voor zover dit redelijk is.’
4.5.
Artikel 27 wordt niet oneerlijk bevonden, omdat deze bepaling aansluit bij de wet (artikel 6:265 BW).
4.6.
Artikel 28 ABV wordt wel oneerlijk bevonden. Het beding biedt ING namelijk de mogelijkheid om alle kosten voortvloeiend uit de relatie in rekening te brengen bij de consument. Dit kan er kennelijk toe leiden dat onbeperkte kosten voor rekening van [gedaagde] komen. Hiermee wordt het evenwicht ten nadele van [gedaagde] als consument onevenredig verstoord. Weliswaar is daarbij opgenomen dat dit gebeurt voor zover dit redelijk is, maar dit betreft een subjectief begrip dat niet nader is uitgewerkt en geen maximum kent, waardoor de consument niet kan inschatten wat de financiële gevolgen zijn van deze bepaling en waardoor hij nadeliger uit kan zijn dan hetgeen hij verschuldigd zou zijn op grond van de wet.
4.7.
Daar komt bij dat uit de toelichting op het artikel blijkt dat een consument bovenop een proceskostenveroordeling de volledige rechtsbijstandskosten verschuldigd is. Zonder dit beding zou een consument die door de rechter (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, op de voet van art. 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden veroordeeld in de forfaitaire proceskosten van de in het gelijk gestelde partij. De Hoge Raad heeft onlangs bevestigd dat een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht als oneerlijk is aan te merken. [1] Een in het ongelijk gestelde partij is immers alleen tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten van de wederpartij gehouden in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Een proceskostenbeding zoals het onderhavige, waarbij alle kosten in rekening kunnen worden gebracht bij de consument, tast de positie waarin de consument zonder dat beding verkeert, aan, doordat het de begrenzing wegneemt die besloten ligt in het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling.
4.8.
Daarmee wordt het beding als oneerlijk beoordeeld en is [gedaagde] daaraan niet gebonden.
Beoordeling vordering
4.9.
[gedaagde] heeft niet betwist dat de loonstrook van december 2022, die hij heeft overgelegd bij de aanvraag van de eerste lening, vervalst is. Deze frauduleuze handelwijze rechtvaardigt de beslissing van ING om de bancaire relatie op te zeggen. Op grond van artikel 27 ABV mocht ING de overeenkomsten onmiddellijk opzeggen en het debetsaldo en de lening onmiddellijk opeisen. Uit de stukken blijkt dat ING [gedaagde] op de hoogte heeft gesteld van de redenen voor de opzegging en hem in staat heeft gesteld bezwaar te maken tegen de beslissing. Verder heeft ING de bedragen niet onmiddellijk opgeëist, maar heeft zij [gedaagde] vanaf de opzegging twee maanden de tijd gegeven om de bedragen te betalen. Daarmee heeft ING naar het oordeel van de kantonrechter zorgvuldig gehandeld.
4.10.
Tijdens de zitting heeft ING toegelicht waarom zij een bedrag van € 1.006,98 aan debetsaldo vordert, terwijl het overeengekomen kredietlimiet € 500,00 bedroeg. Vanwege onvoldoende saldo op de betaalrekening konden de termijnbedragen voor het aflossen van de lening niet worden afgeschreven. Omdat overeengekomen is dat deze bedragen ook mogen worden afgeschreven bij onvoldoende saldo, kon er een hogere debetstand op de betaalrekening ontstaan dan oorspronkelijk overeengekomen was.
4.11.
[gedaagde] heeft de hoogte van de vorderingen verder niet betwist, zodat de kantonrechter de bedragen van € 1.006,98 en € 4.878,46 zal toewijzen.
Wettelijke rente
4.12.
Omdat [gedaagde] de bedragen niet op tijd heeft betaald, moet hij hierover de wettelijke rente betalen. In de brief van 27 februari 2023 heeft ING een termijn gegeven van twee maanden, waarbinnen [gedaagde] de bedragen had moeten betalen. Daarom zal de wettelijke rente zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 28 april 2023.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.13.
Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 4.6. en verder, zijn de gevorderde incassokosten niet toewijsbaar. Weliswaar beroept ING zich op de wettelijke regeling, maar in Europese rechtspraak is bepaald dat als een overeengekomen beding als oneerlijk wordt aangemerkt, een verkoper geen aanspraak kan maken op de wettelijke schadevergoeding waarin is voorzien in een nationale bepaling van aanvullend recht die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest. [2]
Proceskosten
4.14.
Hiervoor is onder 4.7. en verder geoordeeld dat [gedaagde] niet gebonden is aan het oneerlijke proceskostenbeding. Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden de proceskosten vooralsnog afgewezen, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’. [3]

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ING te betalen een bedrag van € 5.885,44, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 april 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Otten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.
57327

Voetnoten

1.Hoge Raad 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820.
2.Zie de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
3.Zie de in voetnoot 2 aangehaalde arresten.