ECLI:NL:RBAMS:2025:4754

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
13-105998-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot strafbare feiten in Frankrijk

Op 26 juni 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Procureur van de Republiek van de Rechtbank van Rennes, Frankrijk. De opgeëiste persoon, geboren in 1982 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en witwassen van opbrengsten van misdrijven. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 12 juni 2025 gehouden, waarbij de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, aanwezig was en de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden zijn voor de overlevering. De verdediging had aangevoerd dat het EAB niet genoegzaam was, maar de rechtbank oordeelde dat de omschrijving van de feiten voldoende duidelijk was voor de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft ook de garantie van de Franse autoriteiten in aanmerking genomen dat de opgeëiste persoon na veroordeling in Frankrijk terug naar Nederland zal worden gestuurd om zijn straf uit te zitten.

Daarnaast heeft de rechtbank de detentieomstandigheden in Frankrijk beoordeeld en geconcludeerd dat er geen algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling van de opgeëiste persoon in de Rennes-Vezin Penitentiary Centre. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, waarbij zij zich baseerde op eerdere uitspraken over de detentie-instelling en de informatie van de Franse autoriteiten. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-105998-25
Datum uitspraak: 26 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 18 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juli 2024 door een Procureur van de Republiek van de Rechtbank van Rennes (Frankrijk) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 juni 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 9 juli 2024, uitgevaardigd door een rechter-commissaris bij de Rechtbank van Rennes in Frankrijk, referentie: JIRS onderzoeksnummer: JIJIRS7C21000004 en parketnummer 21264000009.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd voor het witwassen en de deelname aan een criminele organisatie, omdat het EAB niet genoegzaam is met betrekking tot deze feiten. Uit het EAB blijkt onvoldoende wat de rol van de opgeëiste persoon zou zijn geweest bij deze strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omschrijving van de feiten genoegzaam is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB, in samenhang gelezen met het A-formulier, voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
De verdenking ziet immers - kort gezegd - op betrokkenheid als actief lid van een drugs-smokkelbende tussen 1 januari 2020 en 21 september 2021; een bende gericht op onder meer de invoer van cannabishars vanuit Marokko naar Frankrijk, de exploitatie van een cannabiskwekerij in Mondeville en het witwassen van opbrengsten uit deze misdrijven. Deze omschrijving is naar het oordeel van de rechtbank voldoende.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het EAB genoegzaam is en dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat sprake is van een verzoek tot overlevering in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat nog gaande is, en de verdenking op dit moment dan ook nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid; Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelname aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Procureur van de Republiek van de Rechtbank van Rennes heeft bij brief van 23 mei 2025 de volgende garantie gegeven:
“Further to your request of 19 May 2025 , and pursuant to the provisions of the Framework Decision of the Council of the European Union of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States, I confirm that I guarantee that Mr [opgeëiste persoon] , once heard by the French trial court, will be returned to the Netherlands, the executing Member State, in order to serve the custodial sentence or measure involving deprivation of liberty which may be imposed on him by the French judicial authorities.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden

De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat er voor de detentie-instellingen in Nîmes, Nanterre, Bois-d’Arcy en Metz en voor voorlopig gedetineerden ook de detentie-instellingen Lille-Loos-Sequedin, Montauban en Toulouse een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). [4]
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 juni 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk in
Rennes-Vezin Penitentiary Centregedetineerd zal worden.
After his surrender, Mr. [opgeëiste persoon] will most likely be detained in the Rennes detention center (Place of detention confirmed by investigating judge).
Bij deze brief is een folder gevoegd van CPH Rennes-Vezin.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de zaak aan te houden, omdat niet zeker is dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in
Rennes-Vezin Penitentiary Centregedetineerd zal worden. Voor de medeverdachte van de opgeëiste persoon, die in januari 2025 is overgeleverd, was ook een garantie voor deze detentie-instelling afgegeven, maar hij zit al een aantal maanden in isolatie in een andere gevangenis in Frankrijk vanwege collusiegevaar. Gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel dienen er nadere vragen gesteld te worden. Het is namelijk de vraag of de opgeëiste persoon wel daadwerkelijk in Rennes-Vezin geplaatst wordt, of dat hij eveneens in een andere gevangenis geplaatst zal worden vanwege collusiegevaar. Daarnaast dienen er vragen gesteld te worden over het isolatieregime waarin de medeverdachte nu al lang zit en of de opgeëiste persoon ook in een dergelijk regime geplaatst zal worden.
De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de behandeling dient te worden aangehouden om aanvullende informatie te verkrijgen van de Franse autoriteiten over de huidige bezettingsgraad, de individuele celruimte en het grondslapen in
Rennes-Vezin Penitentiary Centre. De raadsvrouw heeft enkele stukken aangedragen op basis waarvan zij heeft bepleit dat de berekening van de bezettingsgraad van de rechtbank in de uitspraak van 20 juni 2024 [5] niet correct was.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Er is informatie ontvangen dat de opgeëiste persoon in
Rennes-Vezin Penitentiary Centregeplaatst zal worden. De informatie over de overplaatsing van de medeverdachte in een andere gevangenis is op zich juist, maar is niet van belang in onderhavige zaak. Het is geen objectieve bron op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat de opgeëiste persoon blootgesteld zal worden aan mensenrechtenschendingen.
De overlevering naar
Rennes-Vezin Penitentiary Centrekan worden toegestaan. Deze detentie-instelling is al eerder door de rechtbank in orde bevonden. De officier van justitie heeft verwezen naar eerdere uitspraken over deze detentie-instelling. [6] De verdediging heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit zou blijken dat inmiddels wel sprake zou zijn van een algemeen gevaar.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in de detentie-instelling
Rennes-Vezin Penitentiary Centre. De rechtbank gaat, gelet op het tussen de lidstaten geldende beginsel van wederzijds vertrouwen, hierbij uit van de informatie van de uitvoerende justitiële autoriteit in de brief van 2 juni 2025. Dat de medeverdachte van de opgeëiste persoon uiteindelijk in een andere detentie-instelling is geplaatst, maakt niet dat de rechtbank niet langer kan uitgaan van het recente bericht van de Franse autoriteiten dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in Rennes-Vezin.
Bij de uitspraak van 20 juni 2024 [7] , en daarna bij uitspraken van 21 november 2024 en 7 januari 2025, van deze rechtbank is al geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in het Huis van Bewaring in
Rennes-Vezin Penitentiary Centre. De raadsvrouw heeft verder ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De rechtbank volgt daarom haar eerdere uitspraken waarin van dezelfde gegevens is uitgegaan die in de in deze zaak verstrekte informatie is terug te vinden. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg en de rechtbank ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Procureur van de Republiek van de Rechtbank van Rennes (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie onder andere: rechtbank Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3763 (ten aanzien van Nîmes); rechtbank Amsterdam 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5123 (ten aanzien van Nanterre); rechtbank Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:782 (ten aanzien van Bois d'Arcy); rechtbank Amsterdam 20 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4047 (ten aanzien van Lille-Loos-Sequedin); rechtbank Amsterdam 29 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5399 (ten aanzien van Toulouse en Montauban); rechtbank Amsterdam 3 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6162 (ten aanzien van Metz).