Uitspraak
1.De procedure
2.De kern
3.De beoordeling
4.De beslissing
64183
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft de kwalificatie van de overeenkomst tussen verzoeker en verweerder als arbeidsovereenkomst en de rechtsgeldigheid van de opzegging op staande voet van 3 januari 2025. Verzoeker werkte gemiddeld 84 uur per maand als beveiliger en stuurde facturen aan verweerder. Verzoeker stelde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat het ontslag niet rechtsgeldig was, en vorderde een verklaring voor recht en diverse vergoedingen.
De kantonrechter oordeelde dat het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst van toepassing is en dat verweerder dit vermoeden onvoldoende heeft ontzenuwd. De omstandigheden, zoals het gezag van verweerder en het ontbreken van commercieel risico bij verzoeker, wezen op een arbeidsovereenkomst. De opzegging op staande voet wegens gebrek aan werk was niet rechtsgeldig omdat hiervoor een ontslagvergunning van het UWV vereist is.
Verweerder werd veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van €4.784,-, een transitievergoeding van €840,- en een billijke vergoeding van €2.520,-, elk vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werden de proceskosten van verzoeker toegewezen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is erkend en het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig, waardoor verweerder meerdere vergoedingen aan verzoeker moet betalen.