De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van de Tsjechische justitie tot overlevering van een persoon verdacht van ernstige drugshandel. De opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en woont al meer dan tien jaar in Nederland.
De raadsvrouw verzocht om gelijkstelling met een Nederlander, zodat de straf in Nederland kan worden uitgezeten. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gaf echter een advies dat onduidelijkheden bevatte over de vraag of het verblijfsrecht behouden blijft na veroordeling in Tsjechië.
De rechtbank constateerde dat het advies tegenstrijdige criteria hanteert en dat er onvoldoende duidelijkheid bestaat over het duurzame verblijfsrecht van de opgeëiste persoon. Omdat de beslistermijn verstrijkt en de opgeëiste persoon niet de dupe mag worden van deze onduidelijkheid, weigert de rechtbank de overlevering.
De rechtbank zag daarom af van verdere behandeling van andere verweren en baseerde haar beslissing op de artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.
De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.