ECLI:NL:RBAMS:2025:5591

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
13-280760-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot een Poolse vrijheidsstraf

Op 29 juli 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB, uitgevaardigd door de District Court in Koszalin op 20 augustus 2024, betreft de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon, die in Polen is geboren en geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 15 juli 2025 gehouden, waarbij de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, aanwezig was en de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, en een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon op 15 november 2021 in persoon is gedagvaard voor de zitting die leidde tot de beslissing van 14 december 2021, en dat hij op de hoogte was van de mogelijkheid dat er een beslissing zou worden genomen in zijn afwezigheid. De rechtbank oordeelde dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) niet van toepassing was, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de veroordeling en zelfs was begonnen met het ondergaan van de opgelegde werkstraf. De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de eisen van artikel 2 OLW en dat er geen weigeringsgronden waren die aan de overlevering in de weg stonden.

De rechtbank heeft uiteindelijk de overlevering toegestaan, waarbij zij zich baseerde op de vaststelling dat de opgeëiste persoon niet had aangetoond dat er sprake was van een individueel reëel gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. De uitspraak is gedaan door mr. E. Biçer als voorzitter, samen met mrs. M. Westerman en D.L.S. Ceulen, en is openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2025.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-280760-24
Datum uitspraak: 29 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 15 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 augustus 2024 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëist persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 juli 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van
the Local Court in Koszalinvan 14 december 2021, met kenmerk II K 1251/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf maanden en vier dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon naar behoren is opgeroepen voor de zitting die heeft geleid tot de beslissing van 14 december 2021. Het EAB vermeldt weliswaar dat de opgeëiste persoon is gedagvaard, maar niet of de oproeping ook daadwerkelijk naar zijn adres is gestuurd en of hij is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure. De uitvaardigende autoriteit heeft dit ook niet onderbouwd met stukken. Daarnaast moet ook de beslissing tot tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf aan artikel 12 OLW worden getoetst. Het is niet gebleken dat de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de zitting die heeft geleid tot de beslissing van 23 maart 2023.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde is, omdat de opgeëiste persoon op 15 november 2021 in persoon is gedagvaard voor de zitting die heeft geleid tot de beslissing van 14 december 2021. Daarmee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon wist van de veroordeling en zelfs is aangevangen met de opgelegde werkstraf. De beslissing tot tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf van 23 maart 2023 was ingegeven door de overtreding van de gestelde voorwaarden en hoeft dus niet aan artikel 12 OLW te worden getoetst.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van hetgeen in onderdeel d) van het EAB is vermeld, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 15 november 2021 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd doet hier niet aan af.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the Local Court in Koszalinvan 23 maart 2023 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen wegens het overtreden van de gestelde voorwaarden.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 23 maart 2023 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [4] Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëist persoon]aan
the District Court in Koszalin II Criminal Department(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mrs. M. Westerman en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (