Op 29 juli 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB, uitgevaardigd door de District Court in Koszalin op 20 augustus 2024, betreft de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon, die in Polen is geboren en geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 15 juli 2025 gehouden, waarbij de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, aanwezig was en de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, en een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon op 15 november 2021 in persoon is gedagvaard voor de zitting die leidde tot de beslissing van 14 december 2021, en dat hij op de hoogte was van de mogelijkheid dat er een beslissing zou worden genomen in zijn afwezigheid. De rechtbank oordeelde dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) niet van toepassing was, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de veroordeling en zelfs was begonnen met het ondergaan van de opgelegde werkstraf. De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de eisen van artikel 2 OLW en dat er geen weigeringsgronden waren die aan de overlevering in de weg stonden.
De rechtbank heeft uiteindelijk de overlevering toegestaan, waarbij zij zich baseerde op de vaststelling dat de opgeëiste persoon niet had aangetoond dat er sprake was van een individueel reëel gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. De uitspraak is gedaan door mr. E. Biçer als voorzitter, samen met mrs. M. Westerman en D.L.S. Ceulen, en is openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2025.