7.2Poolse detentieomstandigheden
De rechtbank heeft eerder geoordeelddat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
Van de
Assistant Prosecutor of the National Prosecutor's Office in Polandis op 2 juli 2025 de volgende individuele detentiegarantie ontvangen.
“Concerning [opgeëist persoon].(...)1. At the Cracow Remand Prison there is a minimum of 3 square metres per suspect in the residential cells. There are also residential cells with a larger surface area, i.e. 4 square metres per suspect. I will take all measures to ensure that suspects are detained in larger residential cells.(...)2. (…) It is not possible at present to say how much time out of cell suspects who are pre-trial detainees can be held. This depends on a number of factors.(...) It is certainly more than one hour a day of walking, and as a general rule it could be around 2.5 hours to 3 hours a day. It depends on the use of many activities such as:
Go to the bathhouse,
for visits with the defence counsel,
for visits with loved ones, phone calls,
the number of sports, cultural and educational activities the suspect chooses to participate in. This depends on the availability and capacity of the detention centre.
conversations with a psychologist,
conversations with an educator,
discussions with the custody administration,
participation in religious ceremonies (mass),
walk - minimum 1 hour.
Participation in these activities is voluntary and it is impossible to predict how long they will last.
After all, as a prosecutor's office, we are not in a position to give binding orders to the Director of Prisons. In Poland, every organ of the state acts on the basis of the laws that apply to it. As far as cell space is concerned, I have the following suggestion. If the Court in Amsterdam, when transferring suspects to Poland, stipulates that they must be guaranteed a cell area of 4 square metres, I will require this on that basis. In such a situation, it should be assumed that the suspects will be guaranteed an area of 4 square metres.
Concerning the time spent in the cell during the day. As I have already said, it is not possible to determine this unequivocally in advance, as the time spent out of cell during the day depends on many factors which are currently unknown. It should be borne in mind that the purpose of pre-trial detention is not rehabilitation but securing the proper course of criminal proceedings. Given the number of possible activities, that time is certainly longer than one hour per day.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte detentiegarantie onvoldoende is om het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar weg te nemen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank in de uitspraak van 9 juli 2024, ten aanzien van de detentieomstandigheden onder 4 en 5 geformuleerde vragen te stellen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de van de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verkregen detentiegarantie voldoende is om het vastgestelde algemene gevaar weg te nemen. Uit deze detentiegarantie blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon minimaal tussen de 3 en 4 m2 persoonlijke ruimte tot zijn beschikking zal hebben. Daarnaast kan hij minimaal één uur per dag wandelen. Hij kan deelnemen aan diverse activiteiten en daardoor kan de tijd die hij buiten de cel verblijft oplopen tot 2,5 à 3 uur per dag. De officier van justitie heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank in een vergelijkbare zaak, waarbij de overlevering is toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van voornoemde individuele garantie van 2 juli 2025 het volgende vast. Onvoldoende is gebleken dat de opgeëiste persoon de beschikking zal hebben over ten minste 4 m2 persoonlijke leefruimte, nu de uitvaardigende autoriteiten weliswaar aangeven zich te zullen inspannen om hieraan te voldoen, doch tevens vermelden geen bindende bevelen te kunnen geven aan de directeur van een penitentiaire inrichting. Vast staat dat aan de opgeëiste persoon na overlevering een persoonlijke celruimte van minimaal 3 m2, exclusief sanitair, in een meerpersoonscel ter beschikking zal staan. De rechtbank stelt daarnaast op grond van deze garantie vast dat de opgeëiste persoon ten minste één uur per dag kan wandelen en daarnaast kan deelnemen aan diverse activiteiten waarbij de duur van zijn verblijf buiten de cel kan oplopen tot 2,5 á 3 uur per dag. Het is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk dat gegarandeerd wordt dat, indien de opgeëiste persoon zich aanmeldt voor verschillende activiteiten, hij daar ook toegang toe zal hebben en daarmee het een zekerheid is dat – als hij op vrijwillige basis van de geboden activiteiten gebruik maakt - hij ook daadwerkelijk gemiddeld per dag meer dan 2 uur buiten de cel mag verblijven.
Dit leidt tot het oordeel dat het vastgestelde algemene gevaar dat de opgeëiste persoon in detentie in Polen onmenselijk of vernederend zal worden behandeld als de overlevering zou worden toegestaan niet is weggenomen door de verstrekte detentiegarantie.
Nu een individueel gevaar wordt aangenomen, dient de rechtbank de beslissing aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Alhoewel het in deze fase niet aan de rechtbank is om vragen te formuleren (maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om informatie te verstrekken waaruit een wijziging van de omstandigheden blijkt), vindt de rechtbank het niet geheel ondenkbaar dat aanvullende informatie met betrekking tot de hierboven genoemde zorgelijke aspecten, mogelijk een dergelijke wijziging zou kunnen opleveren.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan en stelt zij daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal uiterlijk tien dagen na het einde van deze termijn (27 augustus 2025) worden ingepland, zodat nagegaan kan worden of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank in de uitspraak van 9 juli 2024, ten aanzien van de detentieomstandigheden onder 4 en 5 geformuleerde vragen te stellen is door de rechtbank ter zitting van 15 juli 2025 reeds afgewezen.