ECLI:NL:RBAMS:2025:5633

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
13-141250-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel uit Polen met betrekking tot detentieomstandigheden en overlevering

Op 29 juli 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat door Polen was uitgevaardigd. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1987 in Polen, die wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 15 juli 2025 besproken, waarbij de officier van justitie en de raadsman aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het recht op een eerlijk proces in Polen, maar dat er onvoldoende bewijs is dat dit gevaar ook individueel van toepassing is op de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering aangehouden en een termijn van dertig dagen gesteld om te zien of er wijzigingen in de omstandigheden optreden. De rechtbank heeft ook de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met zestig dagen verlengd. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-141250-25
Datum uitspraak: 29 juli 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 9 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juli 2024 door
Sąd Okręgowy w Krakowie, III Wydział Karny [the Regional Court in Kraków, 3rd Criminal Division], Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëist persoon],
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
[detentie adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 juli 2025, in aanwezigheid van mr. W.M.L. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Kilinç, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Pools taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable decision on a pre-trial detention in the preparatory proceedings of Sąd Rejonowy dla Krakowa- Śródmieścia w Krakowie, II Wydział Karny [the District Court for Kraków-Sródmieście in Kraków, 2nd Criminal Division],van 29 januari 2024 met kenmerk: II Kp 1917/23/S.
.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie,illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek is aangevangen in Polen, de bewijsmiddelen zich daar bevinden en de drugs in Polen zijn ingevoerd. Daarmee heeft de zaak overwegend aanknopingspunten met Polen en is het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich over deze weigeringsgrond niet uitgelaten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat de in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Artikel 11 OLW

7.1
Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
7.2
Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank heeft eerder geoordeeld [7] dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
Van de
Assistant Prosecutor of the National Prosecutor's Office in Polandis op 2 juli 2025 de volgende individuele detentiegarantie ontvangen.
“Concerning [opgeëist persoon].(...)1. At the Cracow Remand Prison there is a minimum of 3 square metres per suspect in the residential cells. There are also residential cells with a larger surface area, i.e. 4 square metres per suspect. I will take all measures to ensure that suspects are detained in larger residential cells.(...)2. (…) It is not possible at present to say how much time out of cell suspects who are pre-trial detainees can be held. This depends on a number of factors.(...) It is certainly more than one hour a day of walking, and as a general rule it could be around 2.5 hours to 3 hours a day. It depends on the use of many activities such as:

Go to the bathhouse,

for visits with the defence counsel,

for visits with loved ones, phone calls,

the number of sports, cultural and educational activities the suspect chooses to participate in. This depends on the availability and capacity of the detention centre.

conversations with a psychologist,

conversations with an educator,

discussions with the custody administration,

participation in religious ceremonies (mass),

walk - minimum 1 hour.
Participation in these activities is voluntary and it is impossible to predict how long they will last.
After all, as a prosecutor's office, we are not in a position to give binding orders to the Director of Prisons. In Poland, every organ of the state acts on the basis of the laws that apply to it. As far as cell space is concerned, I have the following suggestion. If the Court in Amsterdam, when transferring suspects to Poland, stipulates that they must be guaranteed a cell area of 4 square metres, I will require this on that basis. In such a situation, it should be assumed that the suspects will be guaranteed an area of 4 square metres.
Concerning the time spent in the cell during the day. As I have already said, it is not possible to determine this unequivocally in advance, as the time spent out of cell during the day depends on many factors which are currently unknown. It should be borne in mind that the purpose of pre-trial detention is not rehabilitation but securing the proper course of criminal proceedings. Given the number of possible activities, that time is certainly longer than one hour per day.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte detentiegarantie onvoldoende is om het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar weg te nemen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank in de uitspraak van 9 juli 2024 [8] , ten aanzien van de detentieomstandigheden onder 4 en 5 geformuleerde vragen te stellen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de van de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verkregen detentiegarantie voldoende is om het vastgestelde algemene gevaar weg te nemen. Uit deze detentiegarantie blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon minimaal tussen de 3 en 4 m2 persoonlijke ruimte tot zijn beschikking zal hebben. Daarnaast kan hij minimaal één uur per dag wandelen. Hij kan deelnemen aan diverse activiteiten en daardoor kan de tijd die hij buiten de cel verblijft oplopen tot 2,5 à 3 uur per dag. De officier van justitie heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank in een vergelijkbare zaak, waarbij de overlevering is toegestaan. [9]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van voornoemde individuele garantie van 2 juli 2025 het volgende vast. Onvoldoende is gebleken dat de opgeëiste persoon de beschikking zal hebben over ten minste 4 m2 persoonlijke leefruimte, nu de uitvaardigende autoriteiten weliswaar aangeven zich te zullen inspannen om hieraan te voldoen, doch tevens vermelden geen bindende bevelen te kunnen geven aan de directeur van een penitentiaire inrichting. Vast staat dat aan de opgeëiste persoon na overlevering een persoonlijke celruimte van minimaal 3 m2, exclusief sanitair, in een meerpersoonscel ter beschikking zal staan. De rechtbank stelt daarnaast op grond van deze garantie vast dat de opgeëiste persoon ten minste één uur per dag kan wandelen en daarnaast kan deelnemen aan diverse activiteiten waarbij de duur van zijn verblijf buiten de cel kan oplopen tot 2,5 á 3 uur per dag. Het is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk dat gegarandeerd wordt dat, indien de opgeëiste persoon zich aanmeldt voor verschillende activiteiten, hij daar ook toegang toe zal hebben en daarmee het een zekerheid is dat – als hij op vrijwillige basis van de geboden activiteiten gebruik maakt - hij ook daadwerkelijk gemiddeld per dag meer dan 2 uur buiten de cel mag verblijven.
Dit leidt tot het oordeel dat het vastgestelde algemene gevaar dat de opgeëiste persoon in detentie in Polen onmenselijk of vernederend zal worden behandeld als de overlevering zou worden toegestaan niet is weggenomen door de verstrekte detentiegarantie.
Nu een individueel gevaar wordt aangenomen, dient de rechtbank de beslissing aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Alhoewel het in deze fase niet aan de rechtbank is om vragen te formuleren (maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om informatie te verstrekken waaruit een wijziging van de omstandigheden blijkt), vindt de rechtbank het niet geheel ondenkbaar dat aanvullende informatie met betrekking tot de hierboven genoemde zorgelijke aspecten, mogelijk een dergelijke wijziging zou kunnen opleveren.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan en stelt zij daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal uiterlijk tien dagen na het einde van deze termijn (27 augustus 2025) worden ingepland, zodat nagegaan kan worden of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank in de uitspraak van 9 juli 2024 [10] , ten aanzien van de detentieomstandigheden onder 4 en 5 geformuleerde vragen te stellen is door de rechtbank ter zitting van 15 juli 2025 reeds afgewezen.

6.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een datum uiterlijk tien dagen na 27 augustus 2025.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met
zestig dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met zestig dagen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mrs. M. Westerman en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.