Een werknemer, werkzaam als tandartsassistente sinds 24 maart 2025, werd op haar vijfde werkdag ziek door een ongeval op het werk. De werkgever zegde de arbeidsovereenkomst op 8 april 2025 op binnen de vermeende proeftijd, maar de werknemer betwistte dat er een schriftelijk overeengekomen proeftijdbeding was. De kantonrechter oordeelde dat er geen schriftelijke overeenkomst of onvoorwaardelijke instemming met een proeftijdbeding was, waardoor de opzegging niet rechtsgeldig was.
De arbeidsovereenkomst bleef daardoor doorlopen en de werkgever was verplicht loon te betalen, ook gedurende ziekte. De werknemer had zich op opschorting van haar verplichtingen beroepen omdat de werkgever het loon niet betaalde, wat door de kantonrechter werd gehonoreerd. De werkgever had een tegenverzoek tot ontbinding ingediend, maar dit werd ingetrokken.
De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van 70% van het loon over de eerste ziekteperiode en 100% daarna, met een wettelijke verhoging van 25% wegens vertraging. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van de werkgever opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.