Op 20 maart 2025 heeft verdachte goederen gestolen uit een Albert Heijn-winkel te Amsterdam. Verdachte bekende het ten laste gelegde feit tijdens de terechtzitting van 25 juli 2025. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte wederrechtelijk goederen heeft weggenomen met het oogmerk zich deze toe te eigenen.
De officier van justitie vorderde een ISD-maatregel van twee jaar vanwege de kwalificatie van verdachte als zeer actieve veelpleger, gebaseerd op harde en zachte ISD-criteria. De verdediging betwistte de zachte criteria en stelde dat de reclassering onvoldoende onderzoek had gedaan, mede door het ontbreken van begeleiding en het niet verschijnen van de reclasseringsmedewerker bij de zitting.
De rechtbank stelde vast dat verdachte aan de harde ISD-criteria voldoet, maar onvoldoende is gebleken dat ook de zachte criteria zijn vervuld. De reclassering was niet verschenen om nadere toelichting te geven, waardoor de rechtbank niet kon verifiëren of aan de zachte criteria voldaan werd. Gezien het feit dat de ISD-maatregel een laatste redmiddel is en verdachte momenteel rechtmatig in Nederland verblijft, wees de rechtbank de ISD-maatregel af.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van één maand op, conform de richtlijnen voor winkeldiefstal bij veelvuldige recidive, met aftrek van voorarrest. De voorlopige hechtenis werd opgeheven. Verdachte kreeg een laatste kans, waarbij de rechtbank vertrouwen uitsprak dat zij haar situatie zal verbeteren.