ECLI:NL:RBAMS:2025:8317

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
13/148407-25 (EAB I)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden en specialiteitsbeginsel

Op 29 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Regional Court in Konin, Polen. De zaak betreft een verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon, geboren in 1977 in Polen, die momenteel in Nederland gedetineerd is. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op verschillende zittingen besproken, waarbij de opgeëiste persoon bijgestaan werd door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, en een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak op grond van de Overleveringswet (OLW) verlengd en uiteindelijk geoordeeld dat de overlevering toegestaan wordt, ondanks de verweren van de verdediging met betrekking tot de detentieomstandigheden in Polen en het specialiteitsbeginsel. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen objectieve gegevens zijn over schendingen van de detentieomstandigheden en dat het specialiteitsbeginsel niet geschonden zal worden. De rechtbank heeft de overlevering goedgekeurd, waarbij de opgeëiste persoon in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt te delen, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat de argumenten van de verdediging niet voldoende waren om de overlevering te blokkeren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/148407-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 2 juni 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 mei 2022 door de
Regional Courtin
Konin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëist persoon],
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentie plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 29 juli 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 29 juli 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 12 augustus 2025
Op 12 augustus 2025 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak [3] het onderzoek ter zitting heropend onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om deze zaak gelijktijdig af te kunnen doen met de zaak met parketnummer 13/148461-25 (EAB II).
De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met zestig dagen, op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW.
Zitting 17 september 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 17 september 2025, in aanwezigheid van mr. U.E.A. Weitzel, officier van justitie. De opgeëiste persoon was niet aanwezig. Zijn raadsman is verschenen en was gemachtigd.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd, omdat onduidelijk was waar de opgeëiste persoon op dat moment was en of hij gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht. De rechtbank heeft vastgesteld dat zowel de grondslag voor verlenging van de beslistermijn, als de termijn waarmee de beslistermijn is verlengd, onjuist zijn opgenomen in de tussenuitspraak van 12 augustus 2025. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is verlopen en dat er geen grond meer bestaat voor gevangenhouding van de opgeëiste persoon.
Zitting 15 oktober 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling van de rechtbank voortgezet op de zitting van 15 oktober 2025, in aanwezigheid van
mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 12 augustus 2025

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 12 augustus 2025 [4] al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de dubbele strafbaarheid van de feiten en over het beroep van de opgeëiste persoon op artikel 6a OLW. Deze overwegingen worden hier als herhaald en ingevoegd beschouwd. De rechtbank heeft zich daarnaast in de tussenuitspraak reeds uitgelaten over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en over artikel 11 OLW en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de overlevering wordt toegestaan en het onderzoek ter zitting heropend onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om deze zaak gelijktijdig af te kunnen doen met de zaak met parketnummer 13/148461-25 (EAB II). In voornoemde zaak heeft de rechtbank nu einduitspraak gedaan.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich ter zitting van 15 oktober 2025 op het standpunt gesteld dat de conclusie van de rechtbank in de tussenuitspraak van 12 augustus 2025, dat de opgeëiste persoon naar Nederland is vertrokken zonder de Poolse autoriteiten daarvan op de hoogte te stellen en daarmee afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, te kort door de bocht is. De Poolse autoriteiten waren namelijk op de hoogte van het adres in Nederland van de opgeëiste persoon, nu zij met hem op dit adres gecorrespondeerd hebben in een eerder EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat en heeft verwezen naar de tussenuitspraak van 12 augustus 2025.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 12 augustus 2025, waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat zij aanleiding zag om af te zien van de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Het standpunt van de raadsman ter zitting van 15 oktober 2025 maakt dit niet anders. Het was aan de opgeëiste persoon om zijn verhuizing en nieuwe adres in Nederland aan de Poolse autoriteiten door te geven. Het enkele feit dat in een andere procedure de Poolse autoriteiten mogelijk wel met de opgeëiste persoon op zijn Nederlandse adres hebben gecommuniceerd maakt dit niet anders. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon zelf een adreswijziging heeft doorgegeven. De rechtbank zal dan ook, zoals reeds geoordeeld in de tussenuitspraak, afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
5. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
5.1
Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW aan de overlevering in de weg staat. De raadsman heeft betoogd dat de door hem overgelegde informatie bestaat uit deskundigenberichten, waaruit volgt dat er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon onmenselijk of vernederend zal worden behandeld na overlevering naar Polen. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de detentieomstandigheden in Polen onvoldoende toereikend zijn gelet op de medische situatie van de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De verdediging heeft het gestelde individuele gevaar voor de opgeëiste persoon niet onderbouwd met objectieve stukken. De officier van justitie heeft daarnaast gesteld dat er geen algemeen gevaar is aangenomen wat betreft de medische omstandigheden in de Poolse detentiecentra en er geen reden is een individueel gevaar aan te nemen voor de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 12 augustus 2025, waarin is uiteengezet dat er geen algemeen reëel gevaar is aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf in Polen uitzitten, onmenselijk of vernederend worden behandeld. [5] Er is ook geen algemeen gevaar aangenomen wat betreft de medische omstandigheden voor gedetineerden die een straf uitzitten in de Poolse gevangenissen. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die de rechtbank tot een ander oordeel leiden. Het verweer wordt verworpen.
5.2
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Het kan hierbij niet aan de opgeëiste persoon overgelaten worden om dit nader te onderbouwen, maar Polen is verplicht nadere informatie te verschaffen over gestelde schendingen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen elementen door de verdediging zijn aangevoerd waaruit zou volgen dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Het bericht van een Poolse advocaat is geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte informatie die op het tegendeel wijst.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 12 augustus 2025, waarin de rechtbank heeft uiteengezet dat de rechtbank gelet op het vertrouwensbeginsel, behoudens objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte informatie die op het tegendeel wijst, uitgaat van een eerlijke procesgang. De raadsman heeft ter zitting van 15 oktober geen dergelijke informatie overgelegd waaruit blijkt dat de onafhankelijkheid van de rechtspraak in deze specifieke zaak is geschonden. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dan ook.

6.Specialiteitsbeginsel

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er een risico bestaat dat het specialiteitsbeginsel zal worden geschonden in de zaak van de opgeëiste persoon. De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een strafrechtelijk onderzoek in Polen in een andere, niet in het EAB genoemde, zaak waarin de opgeëiste persoon ondervraagd dient te worden. Er dienen aanvullende garanties gevraagd te worden aan de Poolse rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de raadsman is uitgegaan van een verkeerde opvatting van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder c, OLW. Uit dit artikel volgt dat er geen sprake is van een overtreding van het specialiteitsbeginsel zolang er geen detentie wordt toegepast in een andere zaak. Iemand mag wel gehoord worden op zitting of in een onderzoek, zolang er geen detentie wordt toegepast als daar geen toestemming voor is gegeven. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het specialiteitsbeginsel in deze zaak niet wordt geschonden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet heeft aangetoond dat er reden is aan te nemen dat de Poolse autoriteiten geen rekening zullen houden met het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 14 OLW.. De rechtbank verwerpt het verweer.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëist persoon]aan de
Regional Courtin
Konin, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
5.Zie onder meer Rb. Amsterdam 9 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4798, r.o. 6, Rb. Amsterdam 29 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3764 en Rb. Amsterdam 22 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7507, r.o. 7.