ECLI:NL:RBAMS:2025:8539

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
AMS 25/3456, 25/3457 en 25/3458
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van aanmanings- en betekeningskosten in verband met naheffingsaanslagen parkeerbelasting

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser en de invorderingsambtenaar van de gemeente Amsterdam. De eiser had bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting die hem waren opgelegd op 20 november 2024, 4 december 2024 en 8 januari 2025. Omdat de eiser deze naheffingsaanslagen niet had betaald, had de invorderingsambtenaar aanmaningen gestuurd en een dwangbevel betekend, waarbij kosten in rekening waren gebracht. De eiser betwistte de ontvangst van de naheffingsaanslagen en stelde dat deze niet op de juiste wijze waren bekendgemaakt. De rechtbank oordeelde dat de invorderingsambtenaar voldoende had aangetoond dat de naheffingsaanslagen via de digitale berichtenbox van MijnOverheid waren verzonden. De rechtbank concludeerde dat de eiser de gevolgen van het niet regelmatig controleren van zijn berichtenbox voor zijn rekening moest nemen. De beroepen van de eiser werden ongegrond verklaard, en er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd bekendgemaakt op dezelfde datum.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/3456, 25/3457 en 25/3458

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigden: mr. N.G.A Voorbach en [gemachtigde] ),
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de invorderingsambtenaar.

Inleiding

1. De invorderingsambtenaar heeft aan eiser op 20 november 2024 (vorderingsnummer [vorderingsnummer 1] ), 4 december 2024 (vorderingsnummer [vorderingsnummer 2] ) en 8 januari 2025 (vorderingsnummer [vorderingsnummer 3] ) naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd (hierna tezamen: ‘de naheffingsaanslagen’).
2. Omdat eiser deze naheffingsaanslagen niet heeft betaald, heeft de invorderingsambtenaar op 8 januari 2025 (vorderingsnummer [vorderingsnummer 1] ), 22 januari 2025 (vorderingsnummer [vorderingsnummer 2] ) en 26 februari 2025 (vorderingsnummer [vorderingsnummer 3] ) aanmaningen aan eiser gestuurd en daarbij op grond van de Kostenwet aanmaningskosten in rekening gebracht (hierna tezamen: ‘de aanmaningen’).
3. Aan eiser is door terpostbezorging op 27 februari 2025 een dwangbevel (vorderingsnummer [vorderingsnummer 1] ) betekend, waarbij op grond van de Kostenwet betekeningskosten in rekening zijn gebracht (hierna: ‘het dwangbevel’).
4. Tegen de op grond van de Kostenwet in rekening gebrachte kosten heeft eiser op 4 maart 2025 en 8 maart 2025 bezwaarschriften ingediend.
5. De invorderingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 26 mei 2025 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard (hierna: ‘de bestreden uitspraken’).
6. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraken beroep ingesteld, met één beroepschrift in alle drie de zaken. De invorderingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met drie verweerschriften.
7. De rechtbank heeft de (samenhangende) beroepen op 27 oktober 2025 op zitting gezamenlijk behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de invorderingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt de drie zaken aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
9. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen tegen de aanmanings- en betekeningskosten ongegrond zijn. Hierna wordt uitgelegd hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Heeft de invorderingsambtenaar terecht aanmanings- en betekeningskosten in rekening gebracht?
10. Volgens eiser zijn er ten onrechte aanmaningen en een dwangbevel aan hem gestuurd wegens het niet betalen van de naheffingsaanslagen en een aanmaning. De invorderingsambtenaar heeft de naheffingsaanslagen volgens eiser namelijk niet op een juiste wijze kenbaar gemaakt. Volgens eiser blijkt uit de stukken niet dat de naheffingsaanslagen in de digitale berichtenbox van MijnOverheid zijn geplaatst en ook is niet uit te sluiten dat de berichtenbox met terugwerkende kracht kan worden aangepast, zo begrijpt de rechtbank de beroepsgrond van eiser. Eiser betwist daarnaast dat hij de naheffingsaanslagen heeft ontvangen, omdat hij daarvan niet op de hoogte is gebracht via een e-mailnotificatie of vergelijkbare melding. [1] Van eiser kan niet worden verwacht dat hij iedere dag inlogt op MijnOverheid. Dat niet meer te achterhalen is hoe het zit met de melding, moet volgens eiser in zijn voordeel uitpakken.
11. Uit artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat besluiten die zijn gericht tot een of meer belanghebbenden, bekend worden gemaakt door toezending of uitreiking. Met die toezending wordt bedoeld het fysiek per post versturen. In aanvulling hierop is in artikel 2:14, eerste lid, van de Awb bepaald dat besluiten ook elektronisch mogen worden verstuurd. Voorwaarde is wel dat de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs die weg voldoende bereikbaar is.
12. Niet in geding is dat eiser toestemming heeft gegeven aan de heffingsambtenaar om naheffingsaanslagen via MijnOverheid te versturen. De invorderingsambtenaar heeft toegelicht dat hij, vanwege die toestemming, de naheffingsaanslagen digitaal aan eiser heeft verstuurd. De invorderingsambtenaar wijst in dit verband op een door hem overlegde verzendadministratie, bestaande uit schermprints van het gebruikte verzendsysteem. De rechtbank is van oordeel dat de invorderingsambtenaar hiermee afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen via de digitale berichtenbox van MijnOverheid aan eiser zijn verzonden. De rechtbank acht daarbij van belang dat de vorderingsnummers en de dagtekeningen op de schermprints overeenkomen met die op de naheffingsaanslagen. Uit de statuscode ‘Verwerkt’, zoals vermeld op de schermprints, volgt volgens de invorderingsambtenaar dat eiser de naheffingsaanslag op de (onder de kop ‘Verzonden’) vermelde verzenddatum in de digitale berichtenbox van MijnOverheid kon inzien. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van eiser over het aanbrengen van wijzigingen in de berichtenbox met terugwerkende kracht nu eiser daarvoor geen begin van een onderbouwing heeft aangedragen.
13. Eiser heeft verder onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan aan de ontvangst van de naheffingsaanslagen redelijkerwijs moet worden getwijfeld. Niet in geding is dat er voor eiser een mogelijkheid bestaat om de e-mailnotificatie aan en uit te zetten. Omdat eiser zich heeft aangemeld voor het ontvangen van berichten via de digitale berichtenbox op MijnOverheid maar kennelijk niet de e-mailnotificaties heeft aangezet, komen de gevolgen van het niet met regelmaat bekijken van de digitale berichtenbox voor zijn rekening en risico. Voor zover eiser stelt dat een notificatie niet is verzonden ondanks een door hem gegeven toestemming, had het op zijn weg gelegen om dat standpunt nader te onderbouwen. Dat heeft hij echter niet gedaan.
14. De uitspraken waarnaar eiser in dit kader verwijst, maken het voorgaande niet anders. Deze uitspraken gaan namelijk over de vraag of termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar moet worden geacht. De vraag die hier aan de orde is, is of de naheffingsaanslagen op de juiste wijze zijn bekendgemaakt en of er daarom – bij het uitblijven van betaling – aanmaningskosten en betekeningskosten in rekening kunnen worden gebracht.
15. De betaaltermijn is gelet op het voorgaande aangevangen bij de publicatie in de digitale berichtenbox van MijnOverheid. Niet in geding is dat eiser de drie naheffingsaanslagen (met vorderingsnummers [vorderingsnummer 1] , [vorderingsnummer 2] en [vorderingsnummer 3] ) en de aanmaning (met vorderingsnummer [vorderingsnummer 1] ) niet binnen de betaalperiode heeft voldaan. Ook is niet in geding of de invorderingsambtenaar voornoemde aanmaning op een juiste wijze bekend heeft gemaakt aan eiser. De heffingsambtenaar heeft de aanmanings- en betekeningskosten dan ook terecht in rekening gebracht. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

16. De beroepen zijn ongegrond. Bij die uitkomst is er geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten of van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr J.Y. Exterkate, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 13 november 2025.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174.