ECLI:NL:RBAMS:2025:8782

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
AMS 25/4692 en 25/4725
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag urgentieverklaring voor huisvesting op medische gronden

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 1 oktober 2025, wordt de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring door eiseres behandeld. Eiseres, die een gezin van zes vormt, heeft een aanvraag ingediend op medische gronden vanwege de problematiek rond haar zoon met het syndroom van Down. De gemeente Amsterdam heeft de aanvraag afgewezen, met als argument dat eiseres het huisvestingsprobleem op eigen kracht kan oplossen, gezien het aantal wachtpunten dat zij heeft. Eiseres is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld, vergezeld van een verzoek om voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de gemeente terecht de urgentieverklaring heeft afgewezen. Er is sprake van een algemene weigeringsgrond, omdat eiseres het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kan oplossen. De voorzieningenrechter wijst erop dat eiseres met 21 wachtpunten en eerdere aanbiedingen van grotere woningen in aanmerking komt voor een passende woning zonder urgentieverklaring. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen sprake is van bijzondere hardheid die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. De situatie van eiseres, hoewel moeilijk, valt niet onder de uitzonderlijke gevallen waarin de hardheidsclausule kan worden toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/4692 en AMS 25/4725
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigden: mr. U. Tasdelen en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen en haar bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de urgentieverklaring heeft mogen afwijzen omdat sprake is van een algemene weigeringsgrond en er geen sprake is van bijzondere hardheid. Ook is geen sprake van onevenredige gevolgen van de afwijzing. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring (op medische gronden) vanwege de problematiek rond haar zoon [naam kind] , die het syndroom van Down heeft. Het gezin bestaat uit twee volwassenen en vier kinderen en verblijft in een woning van 87 m² met twee slaapkamers. [naam kind] heeft behoefte aan een prikkelarme en passende woonruimte en dat biedt deze woning niet.
2.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft overwogen dat het huisvestingsprobleem voor eiseres op eigen kracht is op te lossen vanwege haar wachtpunten en er ook geen sprake is van een overmacht situatie. De hardheidsclausule hoeft niet te worden toegepast, aldus verweerder.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar partner [naam partner] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
2.6.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen.
Algemene weigeringsgronden
4.1.
De rechtbank overweegt dat in Amsterdam en omstreken sprake is van een groot tekort aan betaalbare sociale huurwoningen. Er gelden lange wachttijden om in aanmerking te komen voor een dergelijke woning. Verweerder kan met een urgentieverklaring voorrang verlenen op de wachtlijst, maar ook het aantal urgentieverklaringen is in verhouding tot het aantal beschikbare sociale huurwoningen groot. Het beleid in de gemeente Amsterdam voor het toekennen van voorrang op andere woningzoekenden is om die reden heel strikt. Het is vooral gericht op Amsterdamse gezinnen met kinderen die door overmacht dakloos zijn of dreigen te worden en op personen met ernstige medische problemen, gerelateerd aan de woonsituatie.
4.2.
Uit artikel 2.10.5, eerste lid van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (hierna: Hvv) volgt dat het college een urgentieaanvraag moet weigeren als er zich één of meer van de in dat artikel genoemde omstandigheden voordoen. Dit zijn de algemene weigeringsgronden. In de uitwerking van de weigeringsgronden [2] is rekening gehouden met veelvoorkomende situaties waarvoor het door de gemeenteraad ongewenst wordt gevonden urgentie te verlenen. Dit strikte beleid wordt op zichzelf niet onredelijk geacht [3] , vanwege het tekort aan sociale huurwoningen en de noodzaak om te komen tot een rechtvaardige verdeling van de schaarse woningen die wel beschikbaar komen.
4.3.
Uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder c van de Hvv volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien de aanvrager het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen of het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze kan oplossen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze algemene weigeringsgrond om twee redenen van toepassing is. Eiseres heeft zelf gekozen voor gezinsuitbreiding met een vierde kind, terwijl er in de huidige woning al sprake was van overbezetting. Verder heeft eiseres 21 wachtpunten en meerdere zoekpunten zodat het aannemelijk is dat zij op eigen kracht binnen een redelijke termijn een passende woning kan vinden zonder urgentieverklaring, aldus verweerder.
4.4.
Eiseres heeft aangevoerd dat haar gezin in een passende woning verbleef, maar vanwege de (steeds meer manifesterende) problematiek van [naam kind] is die woning niet langer geschikt gebleken. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij ondanks haar inspanningen en de hoeveelheid wachtpunten nog steeds geen passende woning aangeboden heeft gekregen. Eiseres is van mening dat verweerder de urgentieverklaring had moeten verlenen, althans een sociaal-medisch onderzoek moeten (laten) uitvoeren.
4.5.
Zoals ook uit de Nadere regels (3 ad c onder 7) volgt is bij een huishouden van vier personen of meer, zoals hier het geval, geen sprake van een huisvestingsprobleem als sprake is van 15 wachtpunten of meer. Eiseres beschikt over 21 wachtpunten. Zij heeft bovendien in 2024 al meerdere woningen aangeboden gekregen die over meer kamers beschikken dan haar huidige woning. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat zij deze woningen om haar moverende redenen heeft geweigerd in het belang van [naam kind] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onder die omstandigheden terecht aan eiseres als algemene weigeringsgrond heeft tegengeworpen dat zij het huisvestingsprobleem, voor zover aanwezig, op een andere wijze kan oplossen. Bij dit aantal wachtpunten en het eerdere aanbod van grotere woningen aan eiseres ligt het in de lijn der verwachting dat het eiseres binnen afzienbare tijd op eigen kracht zal lukken om een grotere en geschiktere woning te vinden.
4.6
De voorzieningenrechter laat het geschilpunt of eiseres al dan niet het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen hier verder rusten. De algemene weigeringsgrond van artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Hvv noemt immers twee alternatieven: er is sprake van een situatie waarin het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen óf er is sprake van een situatie waarin het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze dan met een urgentieverklaring kan worden opgelost. Nu hierboven in 4.5 is geoordeeld dat de tweede situatie zich hier voordoet en het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op andere wijze kan worden opgelost, behoeft de vraag of de eerste situatie zich hier ook voordoet, geen bespreking meer.
Hardheidsclausule
5.1.
Als er algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, kan onder omstandigheden toch urgentie worden verleend, op grond van de hardheidsclausule [4] . Het uitgangspunt is dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen en het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte. Als een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule is het in beginsel aan de aanvrager die een beroep doet op toepassing daarvan om aan te tonen dat de problematiek van een dusdanige aard is dat het college op grond daarvan de aanvrager, boven alle andere woningzoekenden, voorrang moet verlenen. Dat is pas het geval indien er sprake is (bij medische problematiek) van een acuut levensbedreigend probleem of anderszins schrijnende situatie [5] . Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat hier geen sprake van is.
5.2.
Eiseres voert in dat kader aan dat bij niet medische gevallen, zoals ten aanzien van de rechten van een kind met verstandelijke beperking, een acuut levensbedreigend probleem geen vereiste is. Het gaat om een schrijnende situatie en daarvan is hier sprake. [naam kind] heeft in het bijzonder en anders dan andere woningzoekenden een prikkelarme passende woning nodig. De woning is ook niet ingericht op de bijzondere zorgbehoeften. Zo is er ook geen ruimte voor een speciaal bed. De ergotherapeut vindt de huidige woonsituatie ongeschikt en een bedreiging voor het welzijn en de ontwikkeling van [naam kind] en het gezin. De maatschappelijk werker en de kinderarts onderschrijven dit. De woning is niet (tijdelijk) geschikter te maken, zoals door verweerder geopperd. Verweerder heeft bovendien geen nader onderzoek verricht naar de feitelijke woonsituatie, aldus eiseres.
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft kunnen overwegen dat geen sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Verweerders standpunt dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende zorgvuldig voorbereid en ook toereikend gemotiveerd. De voorzieningenrechter begrijpt dat eiseres zich met haar gezin in een moeilijke situatie bevindt door de problematiek van [naam kind] . Dat volgt uit de stukken en ook uit haar toelichting op de zitting. Uit de verklaring van de ergotherapeut volgt dat een passende woning zal bijdragen aan het behoud en herstel van de gezinsdynamiek, het welzijn van alle gezinsleden en het voorkomen van verdere maatschappelijke en gezondheidsproblematiek. De maatschappelijk werker heeft gelijkluidend geadviseerd. Ten slotte volgt uit de verklaring van de kinderarts dat het hebben van een eigen kamer, waar [naam kind] zich kan terugtrekken, essentieel is voor zijn stabiliteit en zijn welzijn. Uit geen van de verklaringen volgt echter dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem of een hiermee gelijk te stellen situatie. Gelet op de zeer schaarse voorraad sociale huurwoningen wordt in de gemeente Amsterdam, de hardheidsclausule alleen toegepast in heel bijzondere situaties. Verweerder heeft redelijkerwijs kunnen vinden dat de situatie van eiseres – hoewel moeilijk - daar niet onder valt. De voorzieningenrechter acht daarbij ook van belang dat het gezin wél beschikt over een woning van 87 m² met twee slaapkamers en dus met haar gezin een dak boven haar hoofd heeft. Eiseres heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat het speciale bed voor [naam kind] met wat verschuivingen in de slaapkamer van haar en de partner kan worden geplaatst. Eventueel zijn er nog andere aanpassingen te verrichten in de woning om wat prikkels weg te nemen, althans onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit niet mogelijk zou zijn. Dat dit verre van ideaal is, zal duidelijk zijn, maar op grond van het aantal wachtpunten, het aantal zoekpunten, de actieve inspanningen van eiseres en het eerdere aanbod van grotere woningen is de verwachting toch dat binnen afzienbare tijd een grotere, passendere, woning zich zal aandienen. Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de woonsituatie van eiseres niet dusdanig schrijnend is dat verweerder niet kon afzien van verlening van een urgentieverklaring op grond van bijzondere hardheid.
Evenredigheid
6. De voorzieningenrechter moedigt eiseres aan om haar actieve zoektocht naar een grotere woning in heel Amsterdam voort te zetten. Dit zal leiden tot nog meer punten en nu in er in verleden al aanbod en bezichtiging door eiseres van grotere woningen heeft plaatsgevonden is de verwachting dat nieuwe woningen zich binnen afzienbare termijn zullen aandienen. Deze omstandigheid en alle omstandigheden genoemd hierboven in 5.3 acht de voorzieningenrechter relevant om tot het oordeel te komen dat verweerders afwijzende besluit in dit geval ook niet tot een onevenredige en onevenwichtige uitkomst leidt [6] , en de afwijzing van de urgentieverklaring dus “onderaan de streep” niet onredelijk bezwarend is.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de urgentieverklaring heeft mogen afwijzen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 7 juli 2023 ECLI:NL:RVS:2023:2210.
4.Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv.
5.Zie artikel 24, bij hoofdstuk 1, van de Nadere regels.
6.Zie de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:191.