ECLI:NL:RVS:2023:2210
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering urgentieverklaring aan slachtoffer mensenhandel met woonproblemen in Amsterdam
De zaak betreft het hoger beroep van een Nigeriaanse vrouw, slachtoffer van mensenhandel, tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. De vrouw woont sinds 2016 in Nederland en verblijft momenteel met haar Nederlandse dochter in een noodopvang voor gezinnen. Het college wees de aanvraag af op basis van meerdere weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, waaronder het ontstaan van het huisvestingsprobleem door verwijtbaar handelen en het ontbreken van een minimale inschrijvingstermijn in Amsterdam.
De rechtbank vernietigde het eerdere besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het college de gronden in het verweerschrift wel deugdelijk had toegelicht. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat de vrouw het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. De situatie van de vrouw is triest, maar niet uitzonderlijk en de woningnood in Amsterdam rechtvaardigt het restrictieve beleid.
De Afdeling gaat niet mee in de stelling dat de vrouw nooit in Haarlem heeft gewoond, omdat zij dit niet aannemelijk heeft gemaakt en eerder zelf had gesteld dat zij daar verbleef. Ook de vraag of haar verblijf in de noodopvang voldoet aan de urgentiegrond dakloosheid met zorg voor minderjarige kinderen is niet doorslaggevend, omdat algemene weigeringsgronden reeds toepassing vinden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de urgentieverklaring bevestigd.