ECLI:NL:RBAMS:2025:8944

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
13-234544-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel zonder terugkeergarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 november 2025 een vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse autoriteiten. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse en Duitse nationaliteit, werd verdacht van diefstal met braak in Duitsland.

De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarden voor overlevering was voldaan, waaronder de dubbele strafbaarheid van het feit. Hoewel de opgeëiste persoon zich beroept op artikel 6, eerste lid, van de Overleveringswet (OLW) en een terugkeergarantie van Duitsland wenst, oordeelde de rechtbank dat hij onvoldoende binding met Nederland heeft om de overlevering daarvan afhankelijk te maken. Zijn langdurige verblijf en strafrechtelijke veroordelingen in Duitsland ondersteunen dit oordeel.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. De overlevering wordt daarom toegestaan zonder terugkeergarantie. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe zonder terugkeergarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.234.544-25
Datum uitspraak: 18 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 17 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 september 2025 door het
Amtsgericht Landshut, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1979,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 november 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L. van Tiggelen, advocaat in Heerlen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door het
Amtsgericht Landshutop 5 september 2025 met dossiernummer Gs 3742/25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De opgeëiste persoon heeft gevraagd de overlevering afhankelijk te maken van de door de Duitse autoriteiten gegeven terugkeergarantie van 2 oktober 2025. Hoewel hij de laatste jaren vooral in Duitsland is geweest, wil hij nu in Nederland zijn leven opbouwen. Hij heeft namelijk familie in Nederland waar hij het contact mee wil herstellen. De opgeëiste persoon heeft de afgelopen jaren in Duitsland (en deels ook in Nederland) een zwervend bestaan gehad in verband met drugsproblematiek, die hij – naar zijn zeggen – niet zonder de steun van zijn familie kan oplossen.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon geen zodanige binding heeft met Nederland dat het in zijn belang is om hier te resocialiseren. Subsidiair kan de overlevering afhankelijk worden gemaakt van de gegeven terugkeergarantie.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft niet onderbouwd dat het centrum van zijn belangen in Nederland is gevestigd. [4] De opgeëiste persoon heeft geruime tijd in Duitsland verbleven en heeft ook deze nationaliteit. De laatste keer dat hij in Nederland ingeschreven stond was in 2011 en ook momenteel staat de opgeëiste persoon niet ingeschreven in Nederland. Uit niets blijkt dat hij na 2011 wel in Nederland gewoond heeft. Uit het strafblad van de opgeëiste persoon blijkt bovendien dat hij vanaf 2004 tot 2023 diverse malen tot gevangenisstraffen in Duitsland (en niet in Nederland) is veroordeeld, waarbij ook “socio-justitiële voorwaardelijke veroordelingen” zijn opgelegd. Resocialisatie na afloop van een eventuele straf kan dan ook beter in Duitsland plaats vinden. Dat de opgeëiste persoon familie in Nederland zou hebben waarmee hij het contact wil herstellen is onvoldoende om voldoende binding met Nederland aan te nemen. De rechtbank zal daarom de overlevering niet afhankelijk maken van de terugkeergarantie.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Landshut(Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (