ECLI:NL:RBAMS:2025:8972

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
13-235050-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot strafbare feiten in Duitsland

Op 20 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Düsseldorf. De opgeëiste persoon, geboren in 1981 en met de Turkse en Nederlandse nationaliteit, is verdacht van illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 6 november 2025 gehouden, waarbij de officier van justitie, mr. A. Keulers, aanwezig was en de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza. De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden zijn die de overlevering in de weg staan. De rechtbank heeft het verweer van de raadsman verworpen, die stelde dat het EAB niet genoegzaam was en dat de feiten niet voldoende waren omschreven. De rechtbank oordeelde dat de beschrijving van de feiten in het EAB voldoende duidelijk was en dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten die in Nederland ook strafbaar zijn. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, met inachtneming van de garantie dat de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland kan ondergaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-235050-25
Datum uitspraak: 20 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 10 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 augustus 2025 door het
Amtsgericht Düsseldorf,Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Turkse en Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
aanhoudingsbevel met het oog op voorlopige hechtenis van Amtsgericht Düsseldorf. Datum van het arrestatiebevel: 29-07-2025, Dossiernummer: 153 Gs 1071/25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het EAB niet genoegzaam is. Uit de beschrijving van de feiten blijkt niet van welke handelingen de opgeëiste persoon wordt verdacht en ook niet wanneer en waar hij deze handelingen zou hebben verricht. De omschrijving van de rol van de opgeëiste persoon is daarmee te summier, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB en genoegzame omschrijving van de strafbare feiten bevat. Het is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De opgeëiste persoon wordt verdacht van de handel in verdovende middelen, zoals - inclusief pleegperiode (3 tot 25 januari 2025) en pleegplaatsen (Düsseldorf, Krefeld en Eindhoven) - is omschreven in onderdeel e) van het EAB. De omschrijving van de feiten is zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en of de naleving van het specialiteitsbeginsel kan worden gewaarborgd. De omschrijving van de feiten in het EAB voldoet dan ook aan de eisen gesteld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e van de OLW en is daarmee genoegzaam. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.Strafbaarheid

Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat gelet op de ongenoegzame omschrijving van de strafbare feiten, de uitvaardigende autoriteit in redelijkheid niet tot het oordeel kon komen dat sprake is van lijstfeiten. De raadsman verwijst in dat kader naar een uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2025 [4] . Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat van het in het vertaalde EAB aangekruiste lijstfeit “
illegale handel in wapens, munitie en explosieven” in ieder geval geen sprake kan zijn, gelet op de feitomschrijving.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen onder 3.1 is overwogen over de genoegzaamheid en overweegt verder het volgende.
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
De rechtbank gaat daarbij uit van het lijstfeit dat is aangekruist in het originele, onvertaalde EAB en niet de in het vertaalde EAB aangekruiste lijstfeit nu dit een kennelijke vertaalfout betreft.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Leitende Oberstaatsanwältin in Düsseldorf (De leidinggevende hoofdofficier van justitie van het parket in Düsseldorf) heeft op 8 oktober 2025 de volgende garantie gegeven:
“Met referte aan uw schrijven per e-mail d.d. 8 oktober 2025 geven wij u de verzekering dat de opgeëiste persoon in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 5 december 2008, bladzijde 27) zoals gewijzigd, voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden teruggezonden.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
Standpunt van de raadsmanDe raadsman heeft verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vermeende strafbare handelingen die aan de opgeëiste persoon worden gekoppeld, hebben uitsluitend op Nederlands grondgebied afgespeeld. Bovendien zou overlevering hem en zijn gezin zwaar treffen. Overname van de strafvervolging door de Nederlandse autoriteiten verdient daarom de voorkeur.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek is aangevangen in Duitsland, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de medeverdachten daar worden vervolgd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon te vervolgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat de in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat de feiten wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.

7.Onschuldverweer

De rechtbank stelt vast dat de raadsman een onschuldverweer heeft gevoerd en dat de overlevering van de opgeëiste persoon op grond van de OLW zou moeten worden geweigerd.
Per 1 oktober 2024 de OLW gewijzigd als gevolg waarvan het niet meer mogelijk is om met vrucht een onschuldverweer te voeren, nu de OLW hiervoor niet langer een basis biedt.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Düsseldorf,Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. E.G.M.M. van Gessel en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.ECLI:NL:RBAMS:AS8842
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.