ECLI:NL:RBAMS:2025:9035

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
13/318365-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van het plegen van ontuchtelijke handelingen wegens gebrek aan steunbewijs

Op 16 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige. De tenlastelegging betrof meerdere seksuele handelingen met een slachtoffer dat op het moment van de feiten nog geen zestien jaar oud was. Tijdens de zitting heeft de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, gepleit voor een veroordeling, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. T.P.A.M. Wouters, heeft betoogd dat de verdachte vrijgesproken moest worden vanwege het ontbreken van voldoende bewijs.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verklaringen van het slachtoffer niet ondersteund werden door ander bewijs, wat noodzakelijk is voor een bewezenverklaring van een zedendelict. Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan een veroordeling niet enkel gebaseerd zijn op de verklaring van één getuige. De rechtbank concludeert dat er geen steunbewijs aanwezig is dat de verklaringen van het slachtoffer bevestigt. Hierdoor kan het ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard.

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten en heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien er geen straf of maatregel aan de verdachte is opgelegd. De kosten worden door beide partijen zelf gedragen. Tevens is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/318365-23
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2004,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T.P.A.M. Wouters, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot en met 12 oktober 2023, meermalen, althans eenmaal, te Amsterdam, althans in Nederland, met zijn pupil en/of een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer/benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] 2015, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het op schoot nemen van die [slachtoffer/benadeelde partij] en/of
- het lichaam van die [slachtoffer/benadeelde partij] tegen zijn penis aan te drukken en/of
- (terwijl die [slachtoffer/benadeelde partij] op zijn schoot zat) heen- en weergaande bewegingen te maken en/of
- het op de wang kussen van die [slachtoffer/benadeelde partij] en/of
- het knuffelen van die [slachtoffer/benadeelde partij] en/of
- het wrijven over en/of betasten van de (beklede) vagina van die [slachtoffer/benadeelde partij] .

3.Vrijspraak

3.1.
Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor de verklaringen van [slachtoffer/benadeelde partij] .
3.2.
Oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte is een zedendelict tenlastegelegd. Een kenmerk van dit soort delicten is dat bij een verdenking van ongeoorloofde seksuele handelingen meestal twee personen aanwezig zijn: degene die aangifte doet en de verdachte.
Ingevolge artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden gebaseerd op grond van de verklaring van één getuige, in dit geval de verklaring van [slachtoffer/benadeelde partij] . Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, is dus bijkomend bewijs (steunbewijs) nodig uit een andere bron dan [slachtoffer/benadeelde partij] . Dat steunbewijs ontbreekt in deze zaak. Hoewel de rechtbank enerzijds geen enkele aanleiding heeft om te veronderstellen dat [slachtoffer/benadeelde partij] verklaringen heeft afgelegd waarvan zij wist dat deze niet waar waren, mag de rechtbank anderzijds – zonder steunbewijs volgend uit de concrete feiten en omstandigheden opgenomen in het dossier – ook niet zonder meer uitgaan van de juistheid van die verklaringen.
De rechtbank concludeert dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

4.Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart [slachtoffer/benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. van de Water, voorzitter,
mrs. B. Vogel en T. van den Bergh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2025.