Op 16 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige. De tenlastelegging betrof meerdere seksuele handelingen met een slachtoffer dat op het moment van de feiten nog geen zestien jaar oud was. Tijdens de zitting heeft de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, gepleit voor een veroordeling, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. T.P.A.M. Wouters, heeft betoogd dat de verdachte vrijgesproken moest worden vanwege het ontbreken van voldoende bewijs.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verklaringen van het slachtoffer niet ondersteund werden door ander bewijs, wat noodzakelijk is voor een bewezenverklaring van een zedendelict. Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan een veroordeling niet enkel gebaseerd zijn op de verklaring van één getuige. De rechtbank concludeert dat er geen steunbewijs aanwezig is dat de verklaringen van het slachtoffer bevestigt. Hierdoor kan het ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard.
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten en heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien er geen straf of maatregel aan de verdachte is opgelegd. De kosten worden door beide partijen zelf gedragen. Tevens is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.