In het onderzoek Greenhill, gericht op vermeende onjuiste dividendbelastingaangiften, zijn gegevensdragers in beslag genomen die ook verschoningsgerechtigde stukken van advocaten bevatten. De rechtbank Amsterdam behandelt het klaagschrift van een advocaat die stelt dat het verschoningsrecht ernstig is geschonden doordat de filtering van deze stukken onvolledig en onvoldoende veilig was.
De rechtbank stelt vast dat het vernietigen van de geheimhoudersstukken in de dataset onmogelijk is zonder de integriteit van het bronbestand aan te tasten. Daarom is gekozen voor de methode van 'uitgrijzen', waarbij stukken ontoegankelijk worden gemaakt. Echter ontbreekt een proces-verbaal dat voldoende inzicht geeft in de waarborgen dat opsporingsambtenaren geen toegang tot deze gegevens hebben, wat volgens de rechtbank onvoldoende is gewaarborgd.
Verder blijkt uit inzage door de advocaten dat de filtering onvolledig was en dat geheimhoudersstukken deels zichtbaar bleven. Ook is door een fout bij het exporteren van data aan Duitsland en Finland een kopie met geheime stukken verstrekt, die later vernietigd zouden zijn. De rechtbank gelast een nadere filtering, het opvragen van logbestanden en het opstellen van een gedetailleerd proces-verbaal over het uitgrijzenproces.
De rechtbank wijst het verzoek tot vernietiging van de gegevens af en verklaart het klaagschrift voor het overige ongegrond. Een verklaring voor recht over schending van het verschoningsrecht wordt niet gegeven. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.