In het onderzoek Greenhill, gericht op vermeende onjuiste dividendbelastingaangiften, zijn gegevensdragers in beslag genomen en gefilterd op verschoningsgerechtigde stukken van advocaten. De rechtbank stelt vast dat het proces van 'uitgrijzen' van deze stukken onvoldoende waarborgen biedt dat het opsporingsteam geen toegang heeft tot deze gegevens.
De rechtbank constateert dat de eerdere filtering onvolledig was, aangezien advocaten bij inzage in de data nog steeds leesbare geheimhouderstukken aantroffen. Tevens is gebleken dat door een fout bij het kopiëren van data aan Duitse en Finse autoriteiten ongeschoonde gegevens zijn verstrekt, die later vernietigd zouden zijn.
De rechtbank wijst erop dat vernietiging in digitale zin ook kan plaatsvinden door ontoegankelijk maken van gegevens, mits dit nauwkeurig wordt vastgelegd in een proces-verbaal. Dit proces-verbaal ontbreekt echter nog, waardoor onvoldoende inzicht bestaat in de waarborgen tegen toegang tot de geheimhoudergegevens.
De rechtbank beveelt een nieuwe filtering aan, het opvragen van logbestanden om inzage en bewerkingen te controleren, en het opstellen van een gedetailleerd proces-verbaal over het uitgrijzen. Voor het overige wordt het klaagschrift ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.