Uitspraak
Vonnis van 4 december 2025
de rechtspersoon naar buitenlands recht PEC EMERALD SÁRL,
[gedaagde] ,
Verder verloop van de procedure
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
- Artikel 5.2 van de huurovereenkomst en artikel 16 van Pro de algemene bepalingen (huurprijswijziging);
- Artikel 11.2 van de huurovereenkomst (boete);
- Artikel 25.2 van de algemene bepalingen (buitengerechtelijke kosten).
1 juli 2021en vervolgens jaarlijks aangepast overeenkomstige het gestelde in artikel 16 van Pro de algemene bepalingen. Bovenop en gelijktijdig met de jaarlijkse aanpassing overeenkomstig van artikel 16 van Pro de algemene bepalingen, heeft de verhuurder het recht om de huurprijs te verhogen met maximaal 5%.
redelijkmoet zijn. Het onderhavige opslagbeding kent deze relativering niet en maakt het mogelijk dat onder alle omstandigheden en in alle situaties de huurprijs ieder jaar met de inflatie plus maximaal vijf procent verhoogd kan worden. Dat kan dus ook als de markthuurprijs daar helemaal geen aanleiding toe geeft. Het opslagbeding heeft daarmee een wezenlijk ander karakter en een wezenlijk andere functie dan de redelijk aanbod procedure. In die zin zijn deze regelingen dan ook niet met elkaar vergelijkbaar. De huurder heeft bij toepassing van het onderhavige beding ook niet, in tegenstelling tot bij de redelijk aanbod procedure, de mogelijkheid om de huurverhoging te weigeren en daarmee de verhuurder te dwingen de redelijkheid van haar (huurverhogings)aanbod door de rechter te laten toetsen. Het opslagbeding maakt de huurder afhankelijk van de verhuurder. Die afhankelijkheid is met name aan de orde wanneer de huurder niet eenvoudig kan overstappen naar een andere verhuurder en dat zal veelal het geval zijn.
moetde rechter de algemene voorwaarden die aan de orde (kunnen) zijn, ambtshalve toetsen aan Richtlijn 93/13. Het is waar dat een verhuurder de huurovereenkomst, buiten de in de wet geregelde gronden, niet kan beëindigen, maar ook de huurder kan dat in de praktijk meestal niet, omdat er geen andere woonruimte beschikbaar is. Dat de huurder beschermd wordt door de Nederlandse huurwetgeving is eveneens waar, maar die bescherming betreft vooral de (on)mogelijkheid tot beëindiging van de huur en, in gevallen van geliberaliseerde woonruimte zoals in dit geval aan de orde is, veel minder de huurprijsbescherming.